7 maanden geleden

De Heer is mijn Herder

Psalm 23

Hij kent Zijn schapen;

Hij telt ze en noemt hen bij hun naam;

Hij gaat voor hen uit;

Ze volgen terwijl Hij hen door het water en door het vuur leidt.

Psalm 23 onthult voor ons de zegeningen voor hem en haar die hun weg door deze wereld met de Here Jezus als hun Herder gaan.

De psalm is nauw verwant aan zowel de voorgaande als de daaropvolgende psalmen. Alle drie de psalmen zijn van uitzonderlijke schoonheid en waarde, omdat Christus in elk van hen het grote thema is. Psalm 22 stelt de Heer als het heilige offer voor, dat Zichzelf zonder smet aan God opoffert, om de heiligheid van God te bevredigen en de schapen te redden. Psalm 23 stelt de Heer Jezus voor als de Herder die Zijn schapen door de woestijn van de wereld leidt. Psalm 24 stelt de Heer Jezus voor als de Koning – de Heer der heerscharen – die Zijn volk in de heerlijkheid van het Koninkrijk invoert.

De psalm begint met een glorieuze uitspraak: “De HEERE is mijn Herder”. Elke gelovige kan zeggen: “De Heer is mijn Redder”; maar hebben we ons allemaal echt overgegeven aan Zijn leiding, zodat een ieder van ons kan zeggen: “De Heere is mijn Herder?” Hij heeft ons gezegd dat Hij “de herder” is, maar heeft ook een ieder van ons tegen Hem gezegd: “U bent mijn Herder”? Hebben we Hem niet alleen als onze Redder aangenomen, Die voor ons stierf om ons van onze zonden te verlossen, maar onszelf ook aan Hem overgegeven als onze Herder, die ons door alle moeilijkheden naar Huis leidt?

Stel je even een kudde schapen voor zonder herders. Schapen zijn behoeftige, domme, zwakke en angstige schepselen. Als men het aan hunzelf over zou laten om de weg door de woestijn te vinden, wat zou er gebeuren? Omdat ze honger hebben, zouden ze snel verhongeren; omdat ze dom zijn, zouden ze de weg kwijtraken en afdwalen; omdat ze zwak zijn, zouden ze moe worden en ten val komen; en omdat ze bang zijn, vluchten ze voor de wolf en worden ze verstrooid.

Wat zal er daarentegen gebeuren, vragen we ons af, wanneer de schapen hun weg onder de leiding van de herder gaan? Nu, wanneer de schapen honger hebben, zal de herder hen naar groene weiden leiden; als ze dom zijn, zal hij hen voor afdwalen bewaren; wanneer zij zwak zijn, zal de herder de schapen voorzichtig leiden en de lammeren dragen; als ze bang zijn, gaat hij vooraan en leidt hen door de ruige valleien en verdedigt hen tegen elke vijand.

Het wordt duidelijk dat in een kudde zonder herder alles afhangt van het schaap, en dat leidt onvermijdelijk tot een catastrofe. Het is even duidelijk dat als de herder vooraan gaat en de schapen volgen, er een veilige reis voor de schapen zal zijn, met meerdere zegeningen op de weg.

Dit is een treffend beeld van de reis van de christelijke kudde door deze wereld, want de Heer Zelf zegt, dat Hij de Herder van de schapen is, dat Hij Zijn eigen schapen bij name roept, en dat Hij vóór hen uitgaat en de schapen Hem volgen, omdat zij Zijn stem kennen (Joh. 10:2-4).

Psalm 23 presenteert ons dit glorieuze feit, dat de herder vooraan gaat en de schapen volgen. Wij, in ons zelfvertrouwen, willen helaas soms de Herder inhalen. Of we worden onvoorzichtig en blijven ver achter. Maar uitgaande van deze twee voorwaarden – dat de Herder de weg aanwijst en wij Hem volgen – kunnen we rekenen op de steun van de Herder in elke moeilijkheid waarmee we te maken hebben.

De psalmist benoemt zeven verschillende moeilijkheden, waarmee we misschien te maken kunnen krijgen:

  1. onze dagelijkse behoeften;
  2. onze geestelijke behoeften;
  3. ons falen en onze traagheid;
  4. de schaduw van de dood;
  5. de aanwezigheid van vijanden;
  6. de dagelijkse routine;
  7. het vooruitzicht op de eeuwigheid.

Al deze dingen kruisen ons pad op verschillende manieren en op verschillende tijdstippen en, als we ze in eigen kracht willen ontmoeten, zullen ze ons overspoelen met angst en tegenspoed. Maar met de Heer als onze Herder, Die ons de weg wijst, kunnen we met vertrouwen aan de reis beginnen, die ons naar de heerlijkheid voert, ondanks de moeilijkheden die er mogelijk onderweg zijn.

Omdat elke zegening in deze psalm gebaseerd is op de eerste grote uitspraak: “De HEERE is mijn Herder”, kunnen we de woorden “De Heer is mijn Herder” heel goed als een opschrift boven elk vers plaatsen.

Vers 1: “Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij ontbreekt niets”.

Ten eerste: Er zijn de dagelijkse behoeften van het lichaam. Hoe moeten ze worden verkregen? De psalmist zegt niet: “Ik heb een goede baan, mij zal niets ontbreken”; of: “Ik heb leuke vrienden die voor me zullen zorgen, mij zal niets ontbreken”; of: “Ik heb geld genoeg, mij zal niets ontbreken;“ of: “Ik ben jong en gezond en bekwaam, mij zal niets ontbreken”.

Door al deze dingen en nog veel meer, kan de Heer in onze behoeften voorzien, maar van geen van deze dingen spreekt de psalmist. Hij kijkt over alle bijkomstigheden en manieren van de voorziening heen en ziet op de Heer. En met de Heer die voorafgaat en Die hij volgt, kan hij zeggen: “De HEERE is mijn Herder, mij ontbreekt niets”.

Vers 2: “Hij doet mij neerliggen in grazige weiden, Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren”.

Ten tweede: Op de woestijnreis zijn er niet alleen aardse behoeften, maar ook geestelijke. Voor de christen is de wereld om hem heen een dorre woestijn. Er is niets in al haar voorbijgaande ijdelheden, dat de ziel voedt. Hun weiden zijn verdroogd en onvruchtbaar, hun wateren zijn opstandige wateren. Als de Heer mijn Herder is, zal Hij me leiden naar grazige weiden en naar stille wateren.

Hoe snel verliezen de genoegens van deze wereld hun charme, zelfs voor hun aanbidders. Het geestelijke voedsel dat door de Herder wordt gegeven, is altijd vers, want Hij leidt naar ‘grazige weiden’. Bovendien weidt de Herder niet alleen, maar voedt Hij ook, omdat Hij Zijn schapen ‘doet neerliggen’ in grazige weiden. Geen hongerig schaap zou zich te midden van overvloed neerleggen. Het zou eerst grazen en zich pas neerleggen als het verzadigd is.

Bovendien leidt de Herder naar stille wateren. Het water maakt het meeste geluid en trekt de meeste aandacht dáár, waar veel rotsen zijn en waar het water ondiep is. Stille wateren zijn diep. De Herder brengt onze zielen tot rust en lest onze geestelijke dorst met de diepten van God, ver van de luidruchtige en oppervlakkige geschillen die de mensen bezig houden en maar al te vaak de christen afleiden.

Vers 3: “Hij verkwikt mijn ziel, Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid, omwille van Zijn Naam”.

Ten derde: Als we gaan door de woestijn van deze wereld, kunnen we in het volgen van de herder falen; en afgezien van feitelijk falen kunnen we ook moe worden van de weg en onze genegenheden kunnen afzwakken. Zelfs dan, als de Heer mijn Herder is, “verkwikt” of “herstelt” Hij mijn ziel. Laten we onthouden dat Hij het is die herstelt. Soms lijkt het alsof we geloven, dat we onszelf door onze eigen inspanningen en in de door ons aangegeven tijd kunnen herstellen, wanneer we een afkeer van onze eigen verkeerde wegen hebben gehad. Maar dat is niet het geval. We kunnen dwalen, maar alleen Hij kan herstellen. Naomi, die van haar dwaalwegen naar Moab was hersteld, zei: “Ík ging vol weg”, maar voegt eraan toe: “maar de HEERE heeft mij leeg laten terugkeren” (Ruth 1:21). Ze zegt als het ware: ‘Ik zorgde voor mijn vertrek, maar de Heere zorgde voor mijn terugkeer’. Geprezen zij Zijn naam: Hij kan en zal herstellen. Als dat niet zo was, dan zou het volk van God op aarde niet veel meer zijn dan een groep afvalligen.

Bovendien herstelt Hij niet alleen, maar na herstel leidt Hij ons ook “in het spoor van de gerechtigheid omwille van Zijn naam”. Ach, hoe vaak wenden we ons zelfs in oprechtheid en ijver op wegen van de eigenwil, die niet in overeenstemming zijn met Zijn naam, en tonen daardoor hoe weinig we in de praktijk de Heer toestaan om ons als Herder te leiden. Het spoor van gerechtigheid waarin Hij leidt is een “smalle weg”, waar voor het zelfvertrouwen van het vlees geen plaats is en die alleen kan worden betreden wanneer de Heer als onze Herder vooraan gaat. Een apostel moest dat ook ervaren, toen hij met echte oprechtheid en ijver en toch met groot zelfvertrouwen zei: “Heer, ik ben bereid met u zelfs in de gevangenis en in de dood te gaan” (Luk. 22:33).

Vers 4: “Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij”.

Ten vierde moeten we “door het dal van de schaduw van de dood”. Zelfs als we levend zijn, die overblijven tot de komst van de Heer, en niet persoonlijk door de dood hoeven heen te gaan, moeten we toch steeds weer het donkere dal ontmoeten, wanneer de een na de ander van onze geliefden van ons wordt weggenomen. En wat is onze reis door deze wereld in bredere zin anders dan een weg door het dal van de schaduw van de dood? Want over allen luiden de doodsklokken.

Niettemin, als de Heer onze Herder is, kunnen we ook met de psalmist zeggen: “… ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij”. De Heer zegt: “Als iemand mijn woord zal bewaren, die zal de dood niet zien” (Joh. 8:51). De Heer zegt niet dat hij niet door de dood hoeft te gaan, maar hij zal hem niet zien. Degenen die rond het bed van een stervende gelovige staan, zullen weliswaar de dood zien, maar degene die afdaalt in het donkere dal, ziet Jezus. En zelfs als we deze weg te gaan hebben, is het alleen een ‘doorheen gaan’. En de doorreis is zeer kort, want het betekent: “Uitwonend van het lichaam … inwonend bij de Heer” (2 Kor. 5:8-9). En onderweg door de vallei is de Heer niet alleen bij ons, maar Hij is ook aanwezig met Zijn stok en Zijn staf – de stok om alle vijanden af te weren, de staf tot onze steun in al onze zwakheden.

Vers 5: “U maakt voor mij de tafel gereed voor de ogen van mijn tegenstanders; U zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over”.

Ten vijfde, in de woestijn van deze wereld worden we omringd door vijanden die ons van het genieten van onze zegeningen willen beroven en onze geestelijke groei willen belemmeren. Maar de Heer is onze Herder, Die een tafel voor ons gereed maakt in het aangezicht van onze vijanden. En dat niet alleen, maar Hij bereidt Zijn volk ook voor op deze maaltijd, want Hij zalft het hoofd met olie en vult niet alleen de beker, maar laat het ook overvloeien. Hij doet veel meer voor ons dan wij ooit voor Hem gedaan hebben in de dagen van Zijn vlees, want ofschoon een van de Farizeeën Hem vroeg om met hem te eten, en de Heer in wonderbare genade ging zitten om te eten, moest Hij toch zeggen: “U hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd” (Luk. 7:46).

Vers 6: “Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven. Ik zal in het huis van de HEERE blijven tot in lengte van dagen”.

Ten zesde: Dan is er nog de dagelijkse weg die we “elke dag” van ons leven moeten gaan. Elke dag brengt zijn eindeloze plichten, moeilijkheden en omstandigheden met zich mee, zowel kleine als ook grote. Maar als we de Herder volgen, zullen we ervaren dat “goedheid en goedertierenheid” ons zullen volgen. Als we dichter bij de Heer zouden zijn, zouden we de Herder direct volgen,  en zouden we dan niet duidelijker Zijn hand herkennen in de kleine dingen van het dagelijks leven en daarin Zijn goedheid en genade ontdekken?

Ten zevende: Wanneer we tenslotte over die dagen van ons leven uitzien in de zich oneindig uitstrekkende eeuwigheid, dan zien we het volgende. We zien dan, dat de Heer, wanneer Hij onze Herder is, ons niet alleen door de woestijn leidt, maar uiteindelijk ook naar Huis brengen zal, waar we “in het huis van de HEERE tot in lengte van dagen” wonen zullen. Voor de christen is dit het Vaderhuis. Daar wonen, verheven boven alle lichamelijke behoeften, waar elk geestelijk verlangen gestild wordt, waar geen mislukking kan doordringen, waar geen hart verkilt, waar geen schaduw van de dood is, waar geen vijand aanvalt, maar waar de beker daadwerkelijk zal overvloeien. De “dagen van mijn leven” zullen “voor altijd in het huis van de Heere” eindigen. In dit prachtige Huis zal geen schaap ontbreken. “Die U mij gegeven hebt, heb Ik bewaard en niemand van hen is verloren gegaan” (Joh. 17:12). Vele jaren geleden schreef de godvruchtige Rutherford: “Hoe denkt u over Zijn liefde; over de voeten die onvermoeibaar in de wereld liepen om de verloren schapen van de Vader te vinden, en Die nu met spijkers doorboord zijn; over de ogen, die Hij vaak in gebed tot God omhoog hief en die nu met tranen bedekt zijn; over het met doornen bekroonde hoofd; over het aangezicht, dat schoner is dan de zon en nu zo ontsteld is en de haren van de wangen geplukt? Hij droeg die smaad en gaf u de heerlijkheid. Hij droeg de vloek en gaf u de zegen. Hij nam de  dood op Zich en gaf u het leven … Als de Overste Herder zal Hij rekenschap over al Zijn lammeren afleggen en aan de Vader als het ware zeggen: “Dit zijn allemaal Mijn schapen. Ik ging door bossen en wateren, door struiken en doornen om hen bijeen te verzamelen, en Mijn voeten werden doorstoken en Mijn handen en Mijn zijde werden doorboord voordat Ik hen verkreeg; maar nu: hier zijn ze”.

Wanneer we ons alles herinneren, wat Hij in het verleden voor ons heeft gedaan, toen Hij als de goede Herder Zijn leven gaf voor de schapen, en wanneer we weten wat Hij nog allemaal voor ons doen zal, wanneer Hij komen zal als de Overste Herder, dan kunnen we ook in de huidige woestijnreis naar Hem opzien en zeggen: “De Heere is mijn Herder”.

Online in het Duits sinds 26.02.2008.

Hamilton Smith, © www.bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol