1 jaar geleden

De grote geloofsdaad van Abraham (14 – slot)

Schriftplaatsen: Genesis 22:19

Abraham keert terug

“Daarna keerde Abraham terug naar zijn knechten. Zij stonden op en gingen samen naar Berseba. En Abraham bleef in Berseba wonen” (Gen. 22:19).

In dit vers wordt Izak niet meer genoemd. Het lijkt erop dat de Heilige Geest de indruk wil wekken, dat Izak op de berg gebleven is. Daarbij mogen we eraan denken, dat de Heer Jezus na het volbrachte werk in de hemel opgevaren en sindsdien niet meer naar de aarde teruggekeerd is. Hij is als het ware op de “berg” gebleven. Hij is gaan zitten aan de rechterzijde van de troon van de Majesteit in de hemelen (Hebr. 8:1). Voor de wereld is Hij vandaag nog steeds in het graf. Ze heeft Hem sinds het kruis niet meer gezien. Maar het ogenblik is niet meer ver weg, wanneer Hij zal terugkeren om op de aarde als Koning van de koningen en Heer van de heren te regeren. Dan zal elk oog Hem zien (verg. Openb. 1:7; 19:11,16).

Abraham was samen met Izak naar Moria getrokken en keerde nu terug naar zijn knechten. De Heer Jezus ging met Zijn Vader naar Golgotha om het verlossingswerk te volbrengen. Als gevolg van dit verlossingswerk zijn wij, die geloven, tot kinderen en zonen van God geworden, die in staat zijn met God de Vader en Zijn Zoon gemeenschap te hebben. Door Zijn dood en opstanding heeft de Heer Jezus de weg naar de Vader geëffend, waarop wij Hem nu in aanbidding mogen naderen (Joh. 14:6; Hebr. 10:19-22). Zijn Vader is nu ook onze Vader en Zijn God is onze God geworden (verg. Joh. 20:17). In welk een wonderbare nabijheid van God zijn we toch gebracht! Genieten wij de levende relatie met onze God en Vader?

Berseba

Na zijn terugkeer uit het land Moria trok Abraham met zijn knechten naar Berseba, en woonde aldaar. Na een tijd van beproeving van het geloof volgde nu een periode van rust en zegen. Kennen wij zulke tijden van rust en van zegen ook in ons leven?

De naam “Berseba” betekent “bron van eed”. Op deze plaats had Abraham eens een put gegraven (verg. Gen. 21:14,25). Later sloten Abraham en Abimelech er een verbond en bevestigden dit met een eed. Hij plantte in Berseba een tamarisk en riep aldaar de naam van de Heer aan (Gen. 21:31-33).

Herinnert de naam “bron van eed” niet daaraan, dat God voor Zijn beloften instaat? De beloften die we in Zijn Woord (bronnen) vinden, zullen allen worden vervuld. Daarop steunde Abraham in geloof – en ook wij mogen dat doen.

Samenvatting

In het verloop van deze overdenking hebben we twee belangrijke hoofdlijnen van de uitleg nagestreefd:

Abraham, de man van het geloof

We hebben gezien hoe groot het geloof van Abraham was. Zijn geloof keek niet op de gave (Izak), maar op de Gever (God). Abraham vertrouwde op de onverbrekelijke beloften van God en was bereid om Izak, de zoon van de belofte, op het altaar van God te leggen. Daarbij steeg zijn geloof boven omstandigheden uit en rekende alleen met God. Abraham oordeelde dat God in staat was om ook uit de dood op te wekken, waaruit hij Izak ook bij gelijkenis1 ontving (Hebr. 11:19). God kon Zich door Abrahams geloof op een bijzondere wijze verheerlijken. Juist daarom is zijn geloof een voorbeeld voor ons.

Abraham en Izak als voorafbeeldingen

Als we naar dit hoofdstuk kijken in het licht van het Nieuwe Testament, zien we daarin een mooi schilderij van dat, wat ons in het Nieuwe Testament geopenbaard is:

  1. In Abraham en Izak zien we een prachtig beeld van de innige gemeenschap die al van eeuwigheid af bestond tussen God, de Vader, en Zijn Zoon. Samen gingen ze op weg naar Golgotha.
  2. Bij Izak zien we sporen van de onderwerping en van de gehoorzaamheid van de Heer Jezus, Die Zich als een lam naar de slachtbank liet leiden: In onderwerping aan de wil van God liet Hij Zich naar Golgotha leiden, om daar als onze Plaatsvervanger te sterven.
  3. We zien iets van dat, wat God met Zijn geliefde Zoon op Golgotha heeft gedaan: Daar moest Hij het oordeel over Hem brengen, omdat Hij met onze zonden beladen was (Rom. 8:3; 2 Kor. 5:21).
  4. We onderkennen echter ook het grote onderscheid: Izak werd gespaard, maar de Heer Jezus werd niet gespaard. Als het ware Offerlam moest Hij aan het kruis van Golgotha sterven (verg. Rom. 8:32). Door Zijn dood heeft Hij God oneindig verheerlijkt.

Liefelijke offergeuren
stegen van het kruis omhoog,
waar het Lam in peilloos lijden
in het stof des doods zich boog.
Willig gaf de Zoon zich over,
welbehaaglijk in Gods oog.

NOOT:
1. Hetzelfde woord ‘gelijkenis’ als in Mattheüs 13:3.

Slot.

Daniel Melui, © www.Bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol