1 jaar geleden

De grote geloofsdaad van Abraham (08)

Schriftplaatsen: Genesis 22 vers 7-8

Een stille wandeling

“Toen sprak Izak tot zijn vader Abraham en zei: Mijn vader! Hij zei: Zie, hier ben ik, mijn zoon. Hij zei: Zie, hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam voor het brandoffer?” (Gen. 22:7).

Het lijkt een stille wandeling van vader en zoon naar Moria te zijn geweest. Er zijn ons niet veel woorden overgeleverd tussen deze beiden. Maar plotseling onderbreekt Izak de stilte met een vraag. Hij ziet het vuur en het hout, maar hij stelt vast, dat het belangrijkste ontbreekt: het schaap (of lam) voor het brandoffer. De kwestie van het schaap voor het brandoffer heeft een verstrekkende profetische betekenis.

Waar is het lam voor het brandoffer?

Deze vraag ging als het ware door de eeuwen heen – en bleef toch eeuwenlang zonder een beslissend antwoord. Waar was het ware lam voor het brandoffer, dat in staat zou zijn om God volkomen te verheerlijken en Hem ten opzichte van de zonde definitief te bevredigen? Waar was het lam dat in staat zou zijn om zonden te verzoenen en daarbij aan de heilige en rechtvaardige eisen van God volledig te voldoen? Tot de komst van Christus was niemand in staat om deze vraag in overeenstemming met God te beantwoorden. En daarbij had de in de zonde gevallen mens juist dit lam nodig, om aan het eeuwige oordeel van God te kunnen ontkomen. Maar geen schepsel was in staat om het ware offerlam aan te bieden.

Maar hoe zit het dan met de offers van het oude verbond? Had niet God Zelf deze ingesteld? Konden zij zonden wegnemen? Het boek Hebreeën maakt duidelijk dat ze nooit zonden konden wegnemen. Ze waren op zijn best een herinnering aan de zonden (Hebr.10:3,4,11). Ze waren als schaduwen – maar waar was het lichaam [1] (zie Kol. 2:17)? Waar was het lam dat zonden kon wegnemen? De situatie was hopeloos totdat het ware Lam van God uiteindelijk op deze aarde kwam. Toen Johannes de Doper Jezus zag, kon hij uitroepen: “Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt!” (Joh. 1:29). En even later: “Zie, het Lam van God!” (Joh. 1:36). Hier kreeg de vraag van Izak een definitief, volkomen antwoord dat in overeenstemming was met God. God zij dank daarvoor!

God zal voorzien

“Abraham zei: God zal Zichzelf voorzien van het lam voor het brandoffer, mijn zoon. Zo gingen zij beiden samen” (Gen. 22:8).

In het licht van het lam voor het brandoffer vertrouwde Abraham volledig op God. Hoewel er uiterlijk geen teken van een ingrijpen van God was, rekende hij er vast op. God zou Zichzelf voorzien in het passende lam voor een brandoffer. We zijn verbaasd over de visie en de vrijmoedigheid van zijn op God gebaseerd geloof. In dit onwrikbare geloof gingen vader en zoon verder op hun gemeenschappelijke weg.

Zoals de vraag van Izak is, zo is ook het antwoord van Abraham van vergaande profetische betekenis: “God zal Zichzelf voorzien van het lam”. Al vóór de grondlegging der wereld was de Heer Jezus voorgekend als het Lam van God (1 Petr. 1:20; verg. Ex. 12:6). Nog voordat de mens in zonde was gevallen, had God het middel tot redding al bereid. Toen de juiste tijd dan gekomen was, werd de Heer Jezus als het Lam vlekkeloos en onbesmet op deze aarde  geopenbaard en door God bevestigd (Matth. 3:16,17; Joh. 1:29,36). Tenslotte heeft Hij Zichzelf vlekkeloos voor God overgegeven, God tot een welriekende reuk (Ef. 5:2; Hebr. 9:14).

Als het door God voorbestemde Offerlam is de Heer Jezus ook het middel tot verzoening, Die God gaf tot redding van verloren zondaars (Rom. 3:25). Hij is de enige door de Schrift aangewezen weg om met God in het reine te komen. Een ander redmiddel, een andere weg is er niet (Joh. 14:6; Hand. 4:12). Elke door mensen bedachte weg – al spreekt hij nog zo de religieuze gevoelens van de mensen aan – zal vroeg of laat blijken de verkeerde weg te zijn, die niet in de hemel, maar in de hel eindigt. Nee, wat de mens niet doen kon, heeft God in de Heer Jezus gedaan (verg. Rom. 8:3). God heeft Zichzelf in Hem, het Lam, van het brandoffer voorzien. Alles wat het raadsbesluit van God tot Zijn verheerlijking en tot onze redding voorzag, heeft de Heer Jezus aan het kruis voldaan. Hoe dankbaar moeten we zijn, dat onze redding niet gebaseerd is op wat wij gedaan hebben, maar alleen op wat Hij heeft gedaan. En hoe wonderbaar, dat Hij het gedaan heeft (verg. Ps. 22:32)!

NOOT:
1. In de zin van ‘werkelijkheid’.

Wordt DV vervolgd.

Daniel Melui, © www.Bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol