2 jaar geleden

De gemeente van God (6-7)

VI

Deel II.

De praktische kant van het samenkomen in overeenstemming met Gods gedachten

Zich vergaderen op een andere wijze dan overeenkomt met de Schrift, kan alleen maar een religieuze vorm zijn. We willen daarmee niet zeggen, dat een oprechte ziel, wanneer deze ook slecht onderwezen is, daar geen opbouw vindt (zie Hand. 10:35). Maar de waarheid van de eenheid van het Lichaam van Christus zal voor zo’n ziel onbekend blijven, en zal de daar (aan de tafel van de Heer) verordende zegen (zie Ps. 133:3) niet ervaren, zoals het aardse volk van God deze genoot in Sion: de dauw van de Hermon, en de kostbare olie op het hoofd van de ware Aäron. Hij of zij zal de vrije werking van de Heilige Geest niet leren kennen, die de eensgezinde samenwonende broeders met de opgestane Christus verbindt (Ps. 133:1).

Men zal de vraag opwerpen, of niet door het samenkomen buiten de talrijke menselijke organisaties in het christendom aan deze nog een andere afsplitsing wordt toegevoegd. Deze beschuldiging zal waarschijnlijk herhaaldelijk aan de orde gesteld worden tegen hen, die Zijn verordeningen gehoorzamen “om tot Hem uit te gaan buiten de legerplaats” (Hebr. 13:13) om zich alleen om Hem te scharen.

We kunnen niet voorkomen, dat ons, die het laatste willen doen, dit verwijt wordt gemaakt, maar we moeten oppassen het ernaar te maken. Daarom moeten we elke sektarische geest in ons hart weren. De Heer heeft ons niet als een deel van de gemeente geroepen om het misschien beter te doen dan de anderen, maar om de weg te gaan, die de gehele gemeente van God zou moeten gaan; en we moeten deze weg zo gaan, alsof de gehele gemeente zich alleen om Hem schaart.

VII

1) De kwestie van de naam

Deze vraag wordt helaas al te vaak lichtvaardig behandeld. We moeten elke benaming verwerpen, die een verdere afscheiding van de gemeente zou kunnen karakteriseren. Als andere christenen zich katholieken, evangelischen, calvinisten, lutheranen, methodisten, baptisten enzovoorts noemen, dan is dat in zoverre natuurlijk; zij dragen de naam van hun kerk. Maar wij die in de naam van Jezus alleen vergaderen, kennen geen andere kerk dan de “gemeente van God”. We kunnen geen genoegen nemen met een naam die niet alle kinderen van God dragen kunnen. Als de wereld, al dan niet religieus, ons, zoals zij het niet anders begrijpt, Darbisten, Mucker [1+2] , exclusieven of anders noemen, dan is dat hun zaak. Maar het erkennen van een speciale benaming betekent het beginsel van eenheid ontkennen, de grondslag waarop wij, in gehoorzaamheid aan het Woord van God, samenkomen. Toen Paulus de Korinthiërs berispte omdat ze zeiden: “Ik ben van Paulus, en ik van Apollos, en ik van Kefas, en ik van Christus”, antwoordde hij hen: “Is Christus gedeeld?” (1 Kor. 1:12,13).

Het Nieuwe Testament spreekt van “christenen”, een naam die hen aan het begin door de wereld, misschien wel spottend, gegeven werd (Hand. 11:26). Moge ons getuigenis in de wereld en voor alle christenen zodanig zijn, dat men ons met deze naam eenvoudig als zulken aanduidt, die Christus navolgen. In Handelingen wordt herhaaldelijk over “discipelen” gesproken. Dat we toch trouwe discipelen van de Heer, Zijn oprechte navolgers zijn, “van harte gehoorzaam … aan de inhoud van de leer waaraan gij overgegeven zijt” [3], of, zoals het ook kan worden vertaald: “waarin u onderwezen bent” [4] (Rom. 6:17), namelijk “in de leer van Christus” (2 Joh. :9).

De brieven spreken van “heiligen”. We zouden het nauwelijks durven om deze naam te gebruiken, die de geïnspireerde apostel toch op de christenen in Korinthe en in andere plaatselijke gemeenten toepast, zoals in 1 Korinthe 14:33, waar hij over “alle gemeenten van de heiligen” spreekt; verder in Romeinen 1:7; 1 Korinthe 1:2; 2 Korinthe 1:1; Efeze 1:1; Filippi 1:1, en andere plaatsen. Het kan zijn dat iemand deze term misbruikt omdat hij hem niet goed begrijpt: Vooral wanneer het voor de wereld wordt uitgesproken, kan het verwarring veroorzaken, zelfs aanstoot geven. Laten we er altijd aan denken hoe onze Heer in Mattheüs 17:27 heeft gehandeld. Door de genade van de Heer, naar de roeping van God en op grond van het werk van Christus zijn alle verlosten heiligen, en ze worden eraan herinnerd om te leven “zoals het heiligen past” (Ef. 5:3).

Voornamelijk is het wel de naam “broeders”, die in Handelingen en in de brieven wordt gebruikt; Christus schaamt Zich niet hen broeders te noemen, die Hijzelf geheiligd heeft; ze zijn “heilige broeders, deelgenoten van de hemelse roeping” (verg. Hebr. 2:11 en Hebr. 3:1). Deze naam past bij de gehele familie van God. Het zou onder de kinderen van God gebruikelijk moeten zijn. Wij hebben niet nodig om naar een andere te zoeken; maar nog minder mogen wij er alleen aanspraak op maken. Als we haar toepassen, mogen we niet het grote aantal kinderen van God, die dit met hetzelfde recht zijn als wij, over ’t hoofd zien, ook al zijn ze voor ons onbekend, omdat ze in het christendom verspreid zijn. We willen eerder in ons hart pijnlijk ondervinden, dat niet de gehele familie van God bij onze bijeenkomsten aanwezig is. Wij zijn niet “de broeders”, maar gewoon “broeders”, door de genade van God bijeengebracht in een tijd, waarin de kinderen van God zo veel verstrooid zijn.

NOTEN VERTALER:
1. Deze publicatie verscheen in 1948/1949.
2. De bijnaam van een groep Piëtisten, aanhangers van bepaalde theologen.
3. Zie Voorhoeve Vertaling 4e druk.
4. Zie Telos Vertaling.

 

© Bibelkomtare.de
Uit: “Messager Evangélique” (Vevey, 1948/1949).
André Gibert

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol