3 jaar geleden

De eerste dag van de week (3)

… en het vergaderd zijn om Jezus

“Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam, daar ben Ik in hun midden” (Matth. 18:20).

Rondom Hem, nu en in de hemel

Laat ons met deze veelzeggende woorden van de Heer voor ogen, wanneer wij op de eerste dag der week als Zijn discipelen om Hem en om de tekenen, die Hem als het geslachte Lam voorstellen, vergaderd zijn, bedenken, dat wij straks in de hemel op dezelfde wijze, in dezelfde rangorde en om hetzelfde ‑ geen ander ‑ Middelpunt verenigd zullen zijn dan nu hier op aarde.

Wel zal ‑ God zij dank! ‑ niet alles dáár zijn gelijk het hier was: hier zoveel zwakheid ‑ dáár alles volmaakt; hier Hem slechts ziende met het oog van het geloof ‑ dáár Hem ziende van aangezicht tot aangezicht; hier nog in het lichaam van de vernedering ‑ dáár verheerlijkt als ons Hoofd.

Doch ondanks al deze tegenstellingen: wij zullen dáár geen andere personen zijn, dan die wij op aarde waren.

O, mocht ons hart altijd verwezenlijken, wat tot het wezen van een zodanig vergaderd zijn behoort! Welk een heilige, welk een hemelse toon zou dit aan ons samenzijn geven! Dan zouden we ons niet bezighouden met onszelf noch met anderen, maar met de HEER, en met HEM alléén. Wij zouden niet denken aan wat wij of anderen deden of doen, maar slechts aan wat HIJ in Zijn oneindige liefde heeft gedaan.

En onze harten zouden, zelfs ná het verlaten van de plaats van onze samenkomst, nog blijven bij HEM, om Wie wij verenigd waren, naar de schone woorden van de psalmist: “Niettemin zal ik voortdurend bij U zijn!” (Ps. 73:23a).

En als eens het vergaderd worden op aarde ten einde zal zijn en het verenigd zijn om het LAM in de hemel begonnen is, zal volmaakte vreugde onze harten vervullen. Dán zal blijvend ons deel zijn, wat reeds van de gelukkige discipelen op die eerste dag van de week getuigd werd: “De discipelen dan verblijdden zich, toen zij de Heer zagen” (Joh. 20:20).

Heerlijk is het om even zo’n blik in de toekomst te slaan. Maar … wij zijn nu nog op aarde, dezelfde door de zonde bedorven aarde, waarop de discipelen zich bevonden, toen zij aan de avond van de dag van de opstanding bijeen waren. Toch smaakten zij toen de gelukkigste ogenblikken voor hun harten, want JEZUS was BIJ hen!

Vrede

En niet alléén dit! Jezus bracht méér dan louter Zijn tegenwoordigheid. Hij was niet gekomen met het doel, Zich als de Opgestane te laten bewonderen. Neen, Hij bracht iets: woorden van vrede, een heilgroet: “Vrede zij U!”

Met deze groet komt Jezus in het midden van de Zijnen. Voorwaar: een nieuwe groet. In Johannes 20 is alles nieuw, omdat in dit hoofdstuk ons de nieuwe schepping wordt voorgesteld. Vandaar een nieuwe dag, een nieuwe wijze van vergaderen ‑ afgezonderd van de wereld, met Jezus in het midden ‑ en óók een nieuwe heil‑ en vredegroet.

Nooit te voren had Jezus aan de Zijnen: “Vrede zij u” kunnen toeroepen. Wel had Hij tot de door Hem gezond gemaakte vrouw gezegd: “ga heen in vrede” (Luk. 8:48). En tot Zijn discipelen had Hij, toen Hij hen verliet en tot de Vader heenging, gezegd: “Vrede  laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u” (Joh. 14:27). Ook had Jezus meermalen Zijn discipelen, in ogenblikken van versaagdheid, bemoedigd door het bekende: “Vreest niet!” en: “Hebt goede moed!” (Joh. 16:33) maar nu komt Hij voor de eerste maal tot hen met de boodschap: “Vrede zij u!”

Hoe had Hij ook vroeger kunnen spreken van de vrede, die Hij eerst nu, dat is door Zijn kruis, had tot stand doen komen! Er bestond tevoren geen vrede, om de eenvoudige reden, dat de vrede, door Jezus gemaakt, gegrond is op Zijn bloedstorting:

“Vrede door het bloed van het kruis” (Kol. 1:20).

Neen ‑ tot hiertoe was er in plaats van vrede vijandschap en oorlog geweest; vijandschap tussen mens en mens ‑ want de mensen waren “hatelijk en elkaar hatend” (Tit. 3:3); vijandschap tussen volk en volken ‑ want de Joden haatten de andere volken en omgekeerd; maar bovenal: vijandschap van alle mensen tegen God; omdat “wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God” (Rom. 8:7).

Aan deze vijandschap in het hart van de mens een einde te maken was niet mogelijk. In het hart van God bestond evenwel geen vijandschap tegen enig mens.

Integendeel: op allerlei wijzen was God in goedheid en liefde tot de mens gekomen, ten slotte kwam Hij in de Persoon van Zijn Zoon. Doch de mens bleef bij dit alles in zijn vijandschap volharden; ja, zelfs zó, dat hoe meer God Zich als een lankmoedig en goedertieren God ten opzichte van de mens betoonde, de haat van die mens jegens Hem des te meer werd opgewekt. De droevige geschiedenis van de natuurlijke mens is hiervan het bewijs. Vele profeten en godsmannen hadden als gezanten van God tot de mens gesproken, opdat die mens eindelijk zou ophouden vijandig tegenover God te staan. Maar op geen van hen heeft de haat van de mens zich zó uitgestort als op Christus ‑ God, geopenbaard in het vlees! Op Hem die gekomen was om zieken te genezen, doden op te wekken, zonden te vergeven; kortom, om goedheid te bewijzen en genade voor recht te laten gelden!

Niets baatte tegenover de men, zoals hij was. Dat hij van God was afgevallen en de boze toegevallen, was vreselijk; (1) dat hij daarna de reddende en verzoenende hand Gods terugsloeg, oneindig erger. Zonder wet, onder de wet, onder de genade ‑ hoe ook geplaatst, te allen tijde toonde de mens geen lust te hebben in het goede, en vooral niet in God, die de bron en samenvatting van al het goede is.

Zou er ooit een einde komen aan die vijandschap, aan de voet‑van‑oorlog, waarop de mens zowel tegenover God als tegenover zijn naaste leefde, dan moest er een einde komen aan de mens zelf. Geen andere weg bleef over, dan deze: in plaats van de eerste, verdorven mens, een tweede mens te stellen, die niet verdorven worden kan. Een onverbeterlijk mens weg te nemen, de menselijke vijandschap te doen ophouden ‑ dat kon alleen door middel van de dood. Die maakte namelijk een einde aan de mens zelf, in wiens hart de vijandschap onuitroeibaar woonde.

Het reddingsplan van God

Zou God echter die dood toepassen op de mens zelf, dan had deze in de dood moeten blijven, en aldus zou de gehele mensheid onherroepelijk verloren zijn. Immers, niet één mens zou bij machte zijn, zich uit die dood los te maken en een nieuw leven aan te vangen.

Maar ‑ God, in Zijn aanbiddelijke genade, doet anders! Eeuwig ver boven ons eng menselijk denken en vatten staat het heilsplan, dat uit Gods liefdehart is voortgekomen.

God laat Zijn Zoon mens worden. En in die heilige mens wordt het vonnis over de zondige mens uitgevoerd.

Jezus ‑ niet alleen heilig door Zijn geboorte (Luk. 1:35b), maar óók heilig door Zijn leven als Mens op deze aarde geleid (Joh. 8:46a) ‑ laat aan Zich voltrekken wat aan de schuldigen mens had moeten voltrokken worden.

En dit deed Hij niet slechts, omdat Hij een gebod daartoe van de Vader had ontvangen. Neen, uitdrukkelijk verklaart Hij het leven echter uit Zichzelf af te leggen. “Niemand neemt het van Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af” (Joh. 10:18). Wat Zijn Vader Hem gebood, was tevens Zijn eigen, persoonlijke wil.

Welk een belangrijk verschil met alle offers van voorheen! Immers bij al die tienduizenden van offers onder Israël was nooit de wil werkzaam geweest. En gesteld, dat enig mens de wil had gehad, om de dood als straf voor de zonde te ondergaan ‑ zo iemand zou geen recht hebben gehad, om zijn leven af te leggen, aangezien geen enkel schepsel vrij over zijn leven mag beschikken.

Maar bij Jezus, het enige algenoegzame, volmaakte offer, was die wil juist werkzaam. Het was Zijn wil te sterven, ten einde Gods eer te herstellen en verloren zondaars te redden. Hij, die geen schepsel was, maar Heer van leven en dood, Hij alleen had zowel de macht als de bevoegdheid om Zijn leven af te leggen.

  1. Bovendien, de dood van Christus moet worden gezien van twee kanten, die men wel onderscheiden moet:
    God heeft Hem doen sterven, Hem “gelegd in het stof van de dood”, zoals wij in de Psalmen lezen (Ps. 22:16b);
  2. maar evenzeer is het waar, dat Christus Zijn leven uit Zichzelf heeft afgelegd (Joh. 10:18).

Dit sterven van Christus nu kan God ‑ hoewel het voor ons verstand niet te doorgronden is – naar heilig recht rekenen voor ons sterven; die dood als onze dood. En zó doet Hij ook, zodat allen, die in de Zoon van God geloven, door God geacht worden ‑ en óók zichzelf achten moeten ‑ als niet meer bestaande in hun eerste toestand, de staat van zonde en vijandschap tegen God (Kol. 3:3; Gal. 2:20; 2 Kor. 5:14 en 15).

Ware het echter hierbij gebleven, dan zou er wel geen vijandschap meer zijn, omdat de vijandige mens niet meer bestond, maar evenmin zou er sprake kunnen zijn van zaligheid en heerlijkheid voor ons. Want die zijn onbestaanbaar als wijzelf niet bestaan.

Hij echter, Die macht had om het leven af te leggen, Hij had óók macht het leven weer op te nemen “Ik heb macht het af te leggen en heb macht het weer te nemen” (Joh. 10:18).

En juist dáárom had de Vader de Zoon lief: omdat Hij Zijn leven aflegde, opdat Hij het weer nemen zou. Dat Christus het leven hernemen zou, was niet slechts Zijn eigen wil, doch óók de wil van de Vaders. Dit ‘weer te nemen’ van Zijn leven behoorde evenzeer als het ‘afleggen’ tot het gebod van de Vader (Joh. 10:17 en 18). Het voorafgaand afleggen was noodzakelijk om in het ‘weer te nemen’ het grote einddoel van Zijn werk te bereiken. De Schrift houdt ons duidelijk twee onderscheiden waarheden voor:

  • de Vader heeft de Zoon opgewekt; (Hand. 2:24 en 32);
  • Christus is opgestaan (Mark. 16:9; Luk. 14:6,34 en 46).

Opwekking en opstanding van Christus

Machtige feiten! ‑ Machtiger dan de schepping van hemel en aarde:

Christus is opgewekt! ‑ Christus is opgestaan!

En opgestaan, uit de doden opgewekt, sterft Hij, niet meer, want “de dood heerst niet meer over Hem” (Rom. 6:9b). Het leven, dat bij Jezus’ opstanding uit het graf te voorschijn kwam, was het leven van de opstanding, een leven, dat buiten het bereik van dood en verderf ligt.

En dit opstandingsleven is het leven, dat allen bezitten, die in Christus Jezus geloven. Zoals God hun eerste leven, een leven van zonde en dood, heeft doen eindigen in de dood van Christus ‑ zo heeft Hij met Zijn opstanding hun nieuwe leven doen aanvangen. Zij zijn met Hem levend gemaakt en mee opgewekt (Ef. 2:5 en 6).

Christus Zelf, niet zoals Hij op aarde geleefd heeft, maar gelijk Hij nu leeft in de hemel, is hun leven.

Hun sterven aan het oude, en hun opstaan in het nieuwe leven, heeft evenwel ‑ men lette hier wél op ‑ niet plaats gehad in hun eigen persoon, maar in de Persoon van Christus. Het is daarom niet door ervaring, maar door openbaring van God, dat zij met dit machtig en wondervol gebeuren zijn bekend gemaakt.

En zij zijn juist “gelovigen,” omdat zij “geloven in Hem die Jezus onze Heer uit [de] doden heeft opgewekt, die overgegeven is om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging” (Rom. 4:24-25).

Daarom geldt voor allen, die “in Christus” zijn, dat zij zich moeten houden: Dood voor de zonde, maar levend voor God (Rom. 6:11).

Zo is dan nu de mens, die voor de zonde leefde en slechts haten kon, dood; en in zijn plaats is gekomen: de mens, die voor God leeft en kan liefhebben; ja, die metterdaad liefheeft, want: “… en ieder die liefheeft, is uit God geboren” (1 Joh. 4:7). In plaats van haat, dus: liefde; liefde tot God en óók tot de broeder, ja zelfs tot de vijand. De mens die in Christus is en tot de nieuwe schepping behoort, leeft niet meer op voet van oorlog met God en zijn naaste.

Er is nu vrede! En dit volstrekt niet als gevolg hiervan, dat die hatende mens zou zijn verbeterd, maar als gevolg van de feiten: dat Christus is gestorven en opgestaan.

“Want Hij is onze vrede, die beiden (n.l. Joden en heidenen) die die beiden één gemaakt en de scheidsmuur van de omheining weggebroken heeft, toen Hij in Zijn vlees de vijandschap (tussen Joden en heidenen), de wet van de geboden, [die] in inzettingen [bestaat], teniet gedaan had, opdat Hij die twee in Zichzelf ‑ toen Hij opstond ‑ tot één nieuwe mens zou scheppen, vrede makend, en die beiden in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis, terwijl Hij daardoor de vijandschap ‑ zowel van Joden als van heidenen jegens God ‑ gedood heeft” (Ef. 2:14-16).

Vrede verkondigen

Jezus kon, zoals we op al hebben opgemerkt, voordat Zijn werk volbracht was het “vrede zij u” niet aan de Zijnen toeroepen, omdat er geen vrede was en deze dus niet kon worden uitgeroepen. Zodra echter die vrede, ten koste van zulk een lijden en dood, verworven was, haast Hij Zich die aan te kondigen.

“Hij is gekomen en heeft vrede verkondigd” (Ef. 2:17).

Zodra de discipelen zijn samengekomen, wel met een hart vol liefde tot Hem, maar toch zich niet bewust van de kracht en de gevolgen van hetgeen op Golgotha geschied is, komt de Heer ten spoedigste bij hen om hen de uitwerking te openbaren van wat Hij volbracht heeft. Het moge zo zijn, dat zij pas later het zullen verstaan, hun harten mogen nog niet de gehele rijkdom kunnen omvatten, die in Zijn woorden ligt besloten ‑ Zijn hart hunkert er naar, in de treffende begroeting, ons in Johannes 20 vers 19 opgetekend, het voor hun oren uit te roepen: er is vrede voor u!

Ondoorgrondelijk grote liefde, hoe bent U onze aanbidding waard!

Wat heeft het Jezus gekost, wat heeft Hij moeten doen en verdragen om die vrede te maken!

De heerlijkheid verlaten, als mens op aarde komen, verkeren onder zondige en vijandige mensen, Zijn genade miskend en Zijn goedheid veracht zien! En zoals Zijn begin op aarde was ‑ zó Zijn einde: geen plaats voor Hem; geen plaats in de herberg, geen plaats op heel deze aarde; daarom verworpen en aan het kruis verhoogd! Wél plaats voor moordenaars als Barabbas ‑ geen plaats voor Hem, die de doden opriep uit het graf. Zijn deel werd: de kruisdood, de meest schandelijke dood.

Maar wat is alles, wat de mens Hem aandeed, vergeleken met wat Hij dragen moest, toen Gods toorn op Hem aanliep; toen Hij onze plaats innam voor de vierschaar van een heilig God!

Dát uit te spreken, wat Zijn ziel doorsneed toen Hij uitriep: “Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?” ‑ niemand van ons vermag het, omdat niemand van ons ooit door die diepste diepte van al wat lijden kan genaamd worden, is heengegaan. Dit alles, hier slechts aangestipt, en nog zoveel meer, moest het Hem kosten en heeft het Hem gekost om de toestand van onvrede en dood te vervangen door een toestand van leven en vrede.

En nu die vrede gemaakt is, had Jezus onmiddellijk naar de Vader kunnen terugkeren, Zich vergenoegende met het feit: er is vrede. Hij wist, dat de Vader Zijn werk volkomen waardeerde, terwijl daarentegen de discipelen te “traag van hart” (Luk. 24:25) waren om in te gaan, zowel in de betekenis als in de gevolgen van Zijn lijdenswerk.

Maar neen, Hij, die de vrede maakte, wil ook de eerste Verkondiger ervan zijn. Het is Zijn liefde, die Hem drijft. Aan geen engel vertrouwt Hij de boodschap toe, aan geen engel staat Hij de vreugde af, voor de eerste maal en in het midden der vergaderde discipelen de blijde tijding van het grote heil uit te spreken. Straks zullen anderen het ná Hem mogen doen: geen engelen, maar verloste zondaars zullen de boodschap van vrede verder brengen. Maar ‑ het begin maken, dát wil Hij Zelf!

De grote behoudenis “waarover aanvankelijk gesproken is door de HEER”, zal later bevestigd worden door hen die het gehoord hebben, en God zal door tekenen mee getuigen (Hebr. 2:3,4). Maar Hij, die beter dan iemand anders de omvang, de diepe betekenis van de heerlijke tijding wist, Hij moet de eerste zijn, van Wiens lippen zij komt.

Welk een diepe blik geeft dit ons in die onbegrijpelijke liefde, welke Zijn hart jegens ons vervult!

De Heer laat het echter niet bij woorden.
Na het “vrede zij u” laat Hij aan de discipelen zien, waarop die vrede gegrond is. “… toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde” (Joh. 20:20) alsof Hij zeggen wilde: “Door te lijden en te sterven heb ik de vrede gemaakt. Door u, o mens, was de onvrede gekomen, en u was niet in staat die door vrede te vervangen. Daarom kwam Ik op aarde en stierf Ik aan het kruis, eigenlijk uw dood stervende en uw straf ondergaande. Maar door die dood heb Ik God volkomen verheerlijkt. Nu leef Ik tot in eeuwigheid, en verheug Mij erin, in uw midden te kunnen verschijnen met de heerlijke boodschap, dat er vrede is. Een vrede, door Mij gemaakt, en dus niet van u afhankelijk; ‑ een vrede, gebouwd op Mijn werk, dus niet steunend op uw werk. Ja, een vrede, die rust op Mijn eens voor altijd volbrachte offer, en dus een vrede van eeuwige kracht en geldigheid, die niet staat of valt met uw afwisselende gevoelens en ondervindingen!”

Twijfel – blijvende vrede

Er zijn helaas zo vele gelovigen die hiervan weinig of niets verstaan.  Zij geloofden al lang, dat zij schuldige en zondaars waren die het oordeel verdiend hadden, die niet op voet van vrede met God stonden. Later hebben ze óók in het geloof aangenomen, hetgeen God in Zijn woord met betrekking tot Zijn Zoon getuigt, namelijk dat Hij die Zoon heeft “overgegeven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardiging” (Rom. 4:25).

In de eerste tijd hebben zij dan ook, wetende dat God hen op grond van dat geloof gerechtvaardigd heeft, vrede gekend. Maar … in plaats van het oog gericht te blijven houden op het feit, dat Jezus “om onze zonden overgegeven en om onze rechtvaardiging opgewekt is”, zijn zij op zichzelf gaan zien, en op hetgeen er in hen omging.

En dan zijn de gevolgen noodlottig! Want dan kan het niet anders of men gaat, onbevredigd met wat men in zichzelf ziet en ontdekt, uitroepen: “Ik heb geen vrede!”

Indien men nu daarmee bedoelt: “Ik ben met mijzelf niet tevreden”, dan zou men zo iemand niet behoeven te beklagen, eerder het tegendeel.

Maar meestal is de achtergrond van een dergelijke klacht: “De vrede, die door Jezus Christus gemaakt is, heeft voor mijn bewustzijn opgehouden te bestaan”.

Maar dán kunnen wij, God zij dank!, iemand die zo spreekt, toeroepen. “Vriend, nu vergist u zich! Die vrede kan niet ophouden, want het werk, waardoor die vrede tot stand gekomen is en waarop hij steunt, houdt eeuwig zijn kracht, en is voor ieder, die gelooft, dus óók voor u, een blijvende vrede”.

Van het ogenblik af, dat Christus uit de doden opstond, was er vrede. Zijn werk kan onmogelijk ongedaan gemaakt worden. En daarom kan de vrede, die er het gevolg van is, nooit ophouden.

Een eeuwig werk heeft eeuwige gevolgen!

Want ‑ en dit is het, wat velen niet verstaan ‑ de vrede rust in geen enkel opzicht op iets in of van de mens. Zelfs niet op het geloof.

Indien er geloof is, rechtvaardigt God op grond van dat geloof. (Rom. 5:1). Maar evenmin als met dit geloof de vrede is gekomen, evenmin kan hij ermee verdwijnen.

Aan het geloof verbindt God de gerechtigheid. Niet de vrede; die is met Christus’ werk verbonden, een werk, dat zijn geldigheid in eeuwigheid niet verliezen kan.

Waarom dan zich allereerst zo zorgen gemaakt over die vrede, wanneer het zó bij u is, dat uw gevoelens en gewaarwordingen wisselen, of u in u zelf dingen ontdekt, die niet goed zijn?

Het is inderdaad zeer droevig, wanneer er in onze ziel verkeerde dingen zijn, of de oefening van het geloof en de omgang met God zwak is. In zodanige toestand wordt God niet door ons verheerlijkt en wij missen dan het genot van wat Christus voor ons verwierf.

Maar nu tracht de duivel te bewerken, dat wij beginnen te twijfelen aan Christus’ werk en de gevolgen ervan; terwijl het integendeel de wil van God is, dat wij onszelf oordelen, schuld belijden, doch niet ophouden te geloven: dat Christus door Zijn bloed ons een “eeuwige verlossing” (Hebr. 9:12) heeft aangebracht.

Wij moeten de dingen niet met elkander verwarren, maar uit elkander houden!

De vrede staat niet in verband met de toestand, waarin wij op dit ogenblik verkeren, maar met de toestand, waarin Christus verkeerd heeft, ruim 2000 jaren geleden. De gerechtigheid daarentegen staat wél met de toestand onzerzijds in verband. Want God rekent die gerechtigheid ons toe, zodra wij, tot het geloof gekomen, de staat van “gelovige in Christus” zijn deelachtig geworden. Dat God dit doen kan aan ons, die te voren zondaren en vijanden waren, is, omdat Christus door te sterven en op te staan vrede heeft gemaakt.

Vrede maken is het werk van Christus geweest voor ons.
Rechtvaardig maken is het werk van God geweest aan ons, namelijk: aan ons, die geloven.

Hoe nu verder? Positie en praktijk

Bij vele lezers, die het vorige ernstig hebben overdacht, zal mogelijk nog deze vraag rijzen: hoe moeten wij nu verder de feitelijke toestand ons voorstellen, waarin wij verkeren nadat wij tot het geloof zijn gekomen?

Allereerst moeten wij dit bedenken: het feit, dat óók in ons, gelovigen, de zonde nog woont, behoeft ons niet te verontrusten. Want zonde en vlees zijn ‘onafscheidelijk’, en eerst wanneer wij sterven en het lichaam‑van-de‑zonde wordt afgelegd ‑ eerst dán vallen vlees èn zonde weg.

Al is echter het vlees in ons ‑ wij zijn niet meer in het vlees!

Gods Woord leert ten stelligste het tegendeel: wij zijn in de Geest ‑ wij leven door de Geest ‑ en behoren nu ook naar de Geest te wandelen (Rom. 8:9; Gal. 5:25).

Wandelende naar de Geest, gedogen wij niet, dat het vlees zijn verderfelijke werkingen in ons openbaart. Zodra het vlees in ons wil werken, hebben wij ‑ gedenkende, dat in Christus’ dood niet alleen onze zonden gestraft zijn, maar óók de zonde‑in‑het‑vlees veroordeeld is (Rom. 8:3) ‑ het praktisch te verwezenlijken: dat wij als mensen‑in‑het‑vlees met Hem gestorven zijn. Dán zal wat in Christus dood is, niet meer werken, maar tevens dood zijn in ons.

Zijn wij hierin werkelijk getrouw, dan zal iedere openbaring van het vlees naar buiten worden voorkomen.

Wij moeten dus drie dingen wèl onderscheiden:

  1. de aanwezigheid van het vlees in ons;
  2. de werking van het vlees in ons binnenste;
  3. de openbaring van het vlees naar buiten.

Het eerste van deze drie maakt ons niet onrein; het tweede en derde wel.

Tegen deze beide biedt de Schrift ons een wapen: “Daar Christus nu in [het] vlees geleden heeft, moet u zich ook met dezelfde gedachte wapenen, dat, wie in [het] vlees lijdt ‑ dus: wie gestorven is ‑ heeft afgedaan met [de] zonde, om de overige tijd in [het] vlees niet meer te leven naar [de] begeerten van [de] mensen, maar naar [de] wil van God” (1 Petr. 4:1,2)

Hanteren wij dit wapen, dan doen wij praktisch als degenen, die met de zonde afgedaan hebben. Gebruiken wij het niet, dan worden wij onrein en moeten wij gereinigd worden; een wassing, niet door het bloed ‑ deze is ééns voor altijd geschied ‑ maar een wassing door het water.

Dat wil zeggen: het Woord van God, door de Heilige Geest toegepast, moet ons tot erkenning en veroordeling brengen. Wordt zo het verkeerde weggedaan, dan zal God ons vergeven en weer aannemen (1 Joh. 1:9).

In de verschillende toestanden, waarin ons hart kan zijn, hebben wij ook verschillende gewaarwordingen: is die toestand een goede, dan zijn die gewaarwordingen voor ons aangenaam; is die toestand slecht, dan zullen zij onaangenaam van aard zijn. Doch evenmin als de aangename de vrede bewerkt hebben, evenmin kunnen de onaangename de vrede wegnemen.

Hij is onze vrede – en niets of niemand buiten Hem!

Dat Christus onze vrede is, geeft ons een aangenaam gevoel. Maar dat aangename gevoel is de vrede niet, slechts een gevolg van de vrede.

Het is goed er op te letten, dat er in de Schrift over gevoel of stemming ‑ waaraan wij zoveel hechten en waarmee we daarom zoveel bezig zijn ‑ eigenlijk nergens gesproken wordt. Is de oorzaak daarvan niet deze: dat de Schrift niet onze personen, maar de Persoon van de Heer op de voorgrond wil stellen?

Wij moeten niet zoveel aan onszelf denken en onszelf beschouwen! De tijd, dááraan besteed, is ontroofd aan de Heer, die al onze gedachten en beschouwingen meer dan waard is! Niet onszelf, maar “als met onbedekt gezicht Hem aanschouwende, worden wij veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid” (2 Kor. 3:18). De oorzaak van zoveel neerslachtigheid en wankelmoedigheid bij ons, is maar al te vaak gelegen in tevéél belangstelling in onszelf en te weinig belangstelling in de Persoon van de Heer.

Is het dus niet, alsof de Heer, wetende hoezéér wij allen geneigd zouden zijn, de vrede met iets van ons in verbinding te brengen, juist door het tonen van Zijn wonden ons duidelijk en ernstig heeft willen voorhouden: “die vrede is van Mijn werk, en daarvan alléén afhankelijk”? Hebben wij tot nu toe soms op iets van ons gezien, en zodoende dikwijls het bewustzijn van de vrede gemist ‑ laat ons dan voortaan slechts zien op Hem, op Zijn vergoten bloed; ‑ en de zekerheid, dat een ‘blijvende’ vrede voor ons door Christus tot stand gebracht is, zal ons nimmer verlaten.

Het avondmaal

Bovendien: dat, wat Jezus aan de avond van die eerste dag van de week aan de toen vergaderde discipelen gaf, dat geeft Hij nu nog op ‘elke’ eerste dag van de week aan de Zijnen, wanneer deze naar de aanwijzing, gegeven in Handelingen 20 vers 7, vergaderd zijn om brood te breken. Het brood en de beker zijn evenzeer voor ons: de zichtbare tekenen van Christus’ volbrachte werk. Daarom is elke broodbreking op de eerste dag van de week: een herhaling van Jezus’ heilgroet “Vrede zij u!”, en tevens een herhaling van het tonen van Zijn wonden.

Omdat ook wij zo “traag van hart” (Luk. 24:25) zijn, ‑ niet minder immers dan een Petrus en een Johannes? ‑ hebben wij zo iets zichtbaars nodig. De Heer wist wel, waarom Hij deze maaltijd aan de Zijnen naliet gedurende de tijd, dat zij Hemzelf niet zouden zien! Al zou iemand, die het menselijke hart niet zo goed kende, soms menen dat dit werkelijke brood en die werkelijke wijn wel een weinig zinnelijk waarneembaar waren, voedsel voor het zinnelijke* in ons ‑ de Heer laat Zich door dergelijke echt menselijke bedenkingen niet weerhouden om aan onze zinnen iets voor te houden, wat wij met onze zintuigen kunnen waarnemen, opdat het beeld ons zou doen denken aan de zaak, welke het afschaduwt.

En de toestand van de Christenheid met haar vaag begrip en flauw bewustzijn van de gemaakte vrede, bewijst maar al te duidelijk, dat de Heer wel wist wat Hij deed, toen Hij ons het avondmaal naliet als een gestadige, zichtbare voorstelling van de grondslag van de vrede. Des te droeviger is het, dat de verwaarlozing en verbastering van deze heerlijke en voor ons onmisbare instelling, de maatstaf aangeeft van het verloren gaan onder de Christenheid van de kennis, zelfs van de kennis der “eerste beginselen”. In plaats dat er tevéél werkelijkheid ligt in deze instelling van de Heer, is er te weinig werkelijkheid in de tegenwoordige Christenheid. Juist naarmate de vrede, en het werk, waarop die gegrond is, beter ‘gekend’ en meer ‘gewaardeerd’ wordt, zal deze instelling van de Heer van groter waarde zijn voor het hart. En niet te dikwijls kan deze gelegenheid voor ons terugkeren, omdat wij juist dáár, waar Zijn groot en bitter lijden ons in beelden voorgesteld wordt, ja, waar Hij Zelf aanwezig is, Hem aanbidden en danken voor alles, wat Hij voor ons deed.

* Zinnelijke leven: tegenovergestelde van het geestelijke leven

Zending

Na bij de eerste vredegroet aan Zijn discipelen Zijn handen en Zijn zijde getoond te hebben, zegt de Heer voor tweede maal tot hen: “Vrede zij u!”

Nu toont Hij hun echter niet Zijn wonden, maar voegt Hij bij de heilgroet de woorden: “Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zend ook Ik u” (Joh. 20:21). Hier ontvangen de om Jezus vergaderde discipelen dus een zending.

In bijzondere zin kan men hierbij denken aan: de zending van de apostelen. Zij ontvangen opdracht om de vrede, waarmee zij bekend waren gemaakt als voor hen bestaande, nu aan anderen te gaan verkondigen. Zo zegt later Petrus: “Het woord dat Hij aan de zonen van Israël heeft gezonden, toen Hij vrede verkondigde door Jezus Christus – deze is aller HEER -: u weet wat er is gebeurd …” (Hand. 10:36). Petrus herinnert daar aan het woord, dat vrede verkondigde door Jezus Christus, een woord, dat in de eerste plaats aan Israël gezonden was. Maar omdat deze Jezus Christus aller Heer, dus óók Heer van de heidenen was, daarom brengt hij de vredeboodschap óók aan hen uit de volken, die met Cornelius in zijn huis waren samengekomen.

Maar in algemene zin kan men bij het: “zend ook Ik u”, denken aan al de gelovigen, en dit wel uit tweeërlei oogpunt.

  1. Alle gelovigen hebben een vrede‑zending, zoals blijkt uit hetgeen de apostel Paulus schrijft aan de gelovigen te Efeze, namelijk: dat zij “hun voeten geschoeid moesten hebben met de toerusting van het evangelie des vrede” (Ef. 6:15);
  2. De Heer echter geeft Zijn discipelen ‑ apostelen of niet ‑, wanneer Hij hen uitzendt in de wereld zoals vroeger de Vader Hem had uitgezonden, (Joh. 20:21) Zijn vrede mee.

Uit dit laatste oogpunt beschouwd, willen wij nog nader bij de tweede vredegroet stilstaan.

De discipelen waren vergaderd, afgezonderd van de wereld, met Jezus in hun midden. Hoe gezegend was zulk een vergaderd zijn! Want zij zagen Jezus; blijdschap vervulde hun harten; ja, niets ontbrak aan hun geluk!

Hoe heerlijk echter zulk een vertoeven in de tegenwoordigheid van de Heer voor de discipelen ‑ èn voor de Heer Zelf ‑ moge zijn, hier beneden kan het slechts korte ogenblikken duren. Daarbinnen is het, o, zo heerlijk; maar daarbuiten is het, ach, zo treurig! Maar zij, die de zaligheid van dit “binnen zijn” kennen, zij moeten ‘uitgaan’ naar “buiten” om daar de ellende te verzachten en zegen te verspreiden.

Want ‑ “de dienstknecht is niet meer dan zijn Heer!” Jezus Zelf kende de heerlijkheid van het “binnen‑zijn”, toen het Vaderhuis Zijn woning was. Maar God zond Hem naar buiten, in deze wereld, om het leed en de smarten van deze wereld te delen en te lenigen, en bovenal: om voor de grote oorzaak van al die ellende, de zonde, te sterven.

Die zending in de wereld bracht Hem allerlei lijden aan: niet alleen in die uren aan het kruis, toen God Hem bezocht om onze zonden. Neen, ook zoveel lijden van de zijde van de mensen en van de duivel. Ja reeds het vertoeven op een bezoedelde aarde, te midden van vijanden van Zijn Vader, baarde Hem, de Heilige, een groot en voortdurend lijden. Wat niet al is Zijn deel en ervaring geweest! Haat en verachting, angst en benauwdheid, honger en vermoeienis! En aan het einde: het kruis ‑ verworpen door allen!

Maar temidden van dit alles genoot Hij een voortdurende vrede. Ter zelfder tijd, dat Johannes de Doper gevaar liep zich aan Hem te ergeren; dat de steden, waarin Zijn grootste krachten geschied waren, zich NIET bekeerden; ja, dat het Joodse volk Hem een “gulzigaard en wijndrinker” (Matt. 11:19) schold ‑ kon Hij de Vader aldus antwoorden: “Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan kinderen hebt geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het welbehagen geweest voor U!” (Matt. 11:25 en 26).

De kennis van en de gemeenschap met Zijn Vader maakten, dat geen omstandigheden, hoe zwaar, hoe grievend ook, Hem konden schokken of schaden. Vrede was en bleef Zijn deel. Alles aannemende uit de hand van Zijn Vader, werd Hij niet verontrust, maar onderwierp Hij Zich volkomen aan God, en rechtvaardigde Hem in alle wegen, die God met Hem ging. Hierdoor verkeerde Hij steeds in die toestand van kalmte, onwankelbaar en inwendige rust, hetgeen met het woord ‘vrede’ wordt uitgedrukt.

De Heer zendt nu de Zijnen uit, in de wereld, evenals de Vader Hem had uitgezonden. Hoe zou het nu anders kunnen, of de discipelen zullen hetzelfde ondervinden wat hun Meester ondervonden had? Dit had Hij hun reeds tevoren gezegd. (Joh. 5:20). Zij ervaren, wat één van hun later in een brief zo uitdrukt: “Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet heeft gekend” (1 Joh. 3:1).

En die ervaringen van de discipelen zijn de ervaringen van al de Zijnen. Alles, wat hier op aarde is en gebeurt, werkt samen om ons in onrust en verwarring te brengen, en zo onze vrede te verstoren. En naarmate wij in die wereld, vol onrust, méér ons openbaren als ‘gezondenen‑in-de‑wereld’ dit is als degenen, die van elders hun oorsprong hebben, naar die mate zal ook ons lijden toenemen. Moeite, verzoeking, teleurstelling en strijd worden dan ons dagelijks deel.

Maar … geen nood! Want Hij, die ons uitzendt, geeft ons Zijn vrede mee! Jezus wist, dat wij onder zulke omstandigheden aan die vrede behoefte zouden hebben, en Hij laat niet na, in die behoefte te voorzien.

“Vrede laat ik u ‑ Mijn vrede geef Ik u” (Joh. 14:27a).

Zo had de Heer gesproken; en het ligt niet aan Hem, wanneer dit praktisch bij ons niet vervuld wordt.

Leerzaam is het voor ons, er op te letten wat Jezus deed te midden van al het ontroerende en verontrustende, dat Hem omgaf op Zijn weg hier beneden.

Dan zien wij drie dingen:

  1. Hij zag steeds op Degene, die Hem gezonden had, Zijn Vader;
  2. Hij bewaarde de plaats van een gezondene, een dienstknecht; en
  3. Hij erkende de Vader, Die Hij “Heer” noemde.

Laten wij doen zoals onze Meester deed, en te midden van alles wat ons omgeeft, achter Hem aan onze weg vervolgende, zien op “Jezus, de Overste Leidsman en Voleinder van het geloof” (Hebr. 12:2). Laat ons wandelen in het bewustzijn, dat Hij onze Zender is, en alles wat die zending meebrengt aannemen met een hart, zoals het Zijne was: nederig en zachtmoedig.

Hoe onrustig het dan rondom ons moge zijn ‑ Hij verzekert ons, dat wij, zó doende, rust zullen vinden voor onze zielen (Matt. 11:29).

Laat ons echter nimmer vergeten, dat wij op aarde wèl een zending, maar niet ons ‘tehuis’ hebben! Dat tehuis is boven, vanwaar wij ook onze oorsprong, ons leven hebben; want wij zijn uit God geboren en onze namen staan in de hemelen opgetekend.

En laat ons vooral van de tijd van onze zending een ijverig gebruik maken, om vrede te verkondigen en vrede te maken. Er is in deze wereld zoveel strijd, zoveel nood en ellende! Mochten dan onze daden en woorden er véél toe meewerken, om die treurige toestanden te verzachten of weg te nemen.

“Gelukkig de VREDE-stichters, want zij zullen zonen van God worden genoemd” (Matt. 5:9).

“Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten van hem, die het goede boodschapt, die VREDE laat horen” (Jes. 52:7).

Vergaderd rondom Hem

Ziehier wat wij kunnen leren uit het samenzijn van gelovigen, vergaderd op de eerste dag van de week, met Jezus in het midden.

Een  tweevoudige vrede deelt Hij aan de Zijnen mee:

  1. Vrede voor het geweten ‑ door de gemeenschap aan Zijn volbrachte werk;
  2. vrede voor het hart ‑ door de gemeenschap met Zijn Persoon.

Vroeger vijanden, nu zijn wij verzoend door Zijn dood. Gelovende, dat die dood in onze plaats is geschied, en wij op grond van dit geloof gerechtvaardigd zijn, hebben wij:

“Vrede met God, door onze Heer Jezus Christus” (Rom. 5:1).

Vroeger geslingerd door de wisselende omstandigheden van het leven hier beneden, hebben wij nu als nieuwe mensen “vrede met wat we hebben” (Hebr. 13:5) zodat wij roemen “ook roemen in de verdrukkingen” (Rom. 5:3).

Op elke ‘eerste dag van de week’ vergaderd, is Jezus daar in ons midden. En zoals Zijn tegenwoordigheid ons met blijdschap vervult, zo wordt Hij verkwikt door onze tegenwoordigheid. Door Hem ontvangen wij “genade op genade” (Joh. 1:16), en die menigvuldige genade maakt de dankzegging overvloedig tot eer van God (2 Kor. 4:15).

Gesterkt door onze omgang met Hem, als ingegaan in het heiligdom, waar wij zonder vrees voor God staan, Hem dienende als priesters, gaan wij daarna ook uit in deze arme wereld, om daar “een goede reuk van Christus” te zijn, en te dienen in de liefde te midden der velerlei schreiende ellende!

Laat ons daarom nimmer vergeten het grote belang van het vergaderd zijn om Jezus op de eerste dag van de week! Thomas was er de eerste maal niet bij tegenwoordig, en een hele week moest verlopen, voordat Jezus weer in het midden stond en Zijn vredegroet herhaalde, nu óók voor de beschaamde Thomas.

Het komen van Jezus in het midden van de Zijnen op de eerste dag van de week, waar hun de tekenen van Zijn lijden en sterven worden getoond, is iets van geheel unieke waarde en betekenis, waartegen niets kan opwegen. Ja, het is iets, dat wij, evenmin als Thomas, kunnen missen zonder grote schade voor de ziel!

Niet van een enkele gelovige, maar van de vergaderde gelovigen, die in Zijn naam zijn samengekomen, is Hij het middelpunt.

Moge dan hetgeen van ons, gelovigen, wáár is ten aanzien van ons positie in Christus voor God, óók waar zijn van onze werkelijke praktische toestand; opdat niet alléén wat ons standpunt, maar ook wat de praktijk van ons leven betreft, naar waarheid van ons zal kunnen gezegd worden:

“Dezen zijn in Christus een nieuwe schepping, het oude is bij hen voorbij gegaan ‑ zie, het is alles nieuw geworden!” (2 Kor. 5:17).

***

Vergaderd om de Heer!
Een uur, om Hem te aanschouwen;
Hem dank te brengen, die Zijn leven voor ons gaf;
om, door de Geest geleid, de roem te ontvouwen
van Hem, die zegevierend rees uit ’t graf.

Vergaderd om de Heer!
Een uur om Hem te loven,
die als de Redder nederdaalde op aard’.
Hier ‑ bij Hem-zelf ‑ zien oog en hart naar Boven:
HIJ, onze HEER, is aller hulde waard!

Vergaderd op Zijn dag –
een dag, aan ons gegeven,
om die te wijden aan Zijn dienst, Zijn eer.
Die dag spreekt ons van ’t nieuwe, ’t ware leven:
het leven door en in de Opgestane Heer!

Vergaderd in Zijn Naam!
O, zalig ziels‑ervaren,
als gasten aan te mogen zitten aan Zijn dis!
Geen ander samenzijn kán evenaren
dit heilig uur, waar Jezus “Gastheer” is.

Vergaderd door de Geest
om Jezus te gedenken
in ál het bitter lijden, dat Hij leed;
waar zichtb’re tekenen ons doen herdenken:
’t Was tot ons heil, dat Hij dit alles deed!”

Vergaderd tot Hij komt!
Niet eeuwig toch zal kwijnen de hoop,
die naar ’t aanschouwen smacht.
Snel vliegt de tijd ‑ weldra zal Hij verschijnen!
Kort duurt het uur, voor wie volhardend wacht.

Vergaderd bij de Heer!
Zó zal het eeuwig wezen,
als wij in ’t Vaderhuis eens wonen, voor altijd.
Dán is geen dood, geen scheiding meer te vrezen ‑
bij Hem wacht ons de volle zaligheidl

H. la R.

NOTEN:
1. Zie deel I.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol