2 jaar geleden

De eerste dag van de week (1)

Dit is een geschrift van H.J. Lemkes Sr., dat verkort bewerkt is door H. LA RIVIÈRE. Uitgegeven door J.N. Voorhoeve – Den Haag.

De titel was: “De eerste dag der week en het vergaderd zijn om Jezus”. Vanwege de inhoud nog altijd actueel en geeft Schriftuurlijk onderwijs omtrent het samenkomen.

In verband met de leesbaarheid zijn er hier en daar tussenkopjes geplaatst door Frisse Wateren.

Het verdient onze bijzondere aandacht, dat de Heilige Schrift in onmiddellijke aansluiting op de grote feiten van Christus’ verlossingswerk ‑ Zijn dood en Zijn opstanding ‑ ons bezig houdt met de eerste dag van de week. Immers kwam in de Schrift die dag tevoren nooit ter sprake. Werd er van een bijzondere dag melding gemaakt, zo was deze steeds: de zevende of LAATSTE dag van de week.

Nu treedt daarentegen de EERSTE dag de van de week op de voorgrond en dit geschiedt op buitengewone wijze. Het twintigste hoofdstuk van het evangelie naar Johannes verhaalt zelfs uitsluitend gebeurtenissen, die op de dag van der opstanding zelf èn op de daaropvolgende EERSTE dag van de week hebben plaats gevonden.

Wij treffen hier een van de verschijnselen aan, die voortvloeien uit het feit, dat er een nieuwe periode, een nieuwe BEDELING is ingegaan.

Daarom is vooraf een korte terugblik gewenst.

Terugblik

Na zes dagen van scheppingsarbeid, had God op de ZEVENDE dag gerust en die dag gezegend en geheiligd, hetgeen zeggen wil: die als een bijzondere dag afgezonderd voor Zichzelf (Gen. 2:2,3).

Verder vinden wij in het boek Genesis, zelfs in de zo uitvoerig beschreven geschiedenissen van de aartsvaders, van de zevende dag nergens melding gemaakt.

Die dag komt evenwel bij herhaling voor wanneer wij in Exodus worden bezig gehouden met de geschiedenissen van het uitverkoren volk Israël: in hoofdstuk 16 bij het manna; in hoofdstuk 20 bij de wetgeving; en uitvoerig in hoofdstuk 31.

Ook in de verdere geschiedenis van Israël blijft die dag een telkens terugkerend onderwerp. Daarbij blijkt tevens dat de sabbat – de ZEVENDE dag – in tijden van geestelijke bloei in ere stond, in dagen van geestelijk verval daarentegen in minachting was. Tegen een zodanige geringschatting verhieven de profeten waarschuwend hun stem. Uit de profetieën van Ezechiël (hfdst. 45 en 46) zien wij tenslotte, dat de sabbatdag eerst recht in waarde zal gehouden worden, wanneer in de toekomst het HERSTELDE Israël zal wonen in het land van de vaderen.

Dit alles leert ons een hoogst belangrijke waarheid, namelijk deze: dat die ZEVENDE dag (of sabbat) in verbinding stond met deze (eerste) schepping. Die dag was een rustdag, bestemd voor een volk, dat op deze aarde zijn plaats en roeping heeft.

Wat is er echter met deze (EERSTE) schepping gebeurd?

Zij is door de zonde onder de vloek gekomen. En zelfs het volk, dat door God verlost, afgezonderd en op bijzondere wijze was gezegend, heeft ‑ als geheel genomen, als VOLK ‑ God verworpen. Door deze feiten, van niet te omvatten betekenis, is GODS rust verstoord geworden. God kan onmogelijk rusten te midden van de onrust van een verontreinigde schepping en de onvrede van een verdorven mensengeslacht.

Als Christus op de sabbatdag een zieke gezond maakt, en de Joden Hem verwijten, dat Hij werkt op de rustdag ‑ dan antwoordt de Heer Jezus: “Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk [ook]” (Joh. 5:17). Beide, Vader en Zoon, zijn werkzaam van het ogenblik af, dat de zonde in de wereld kwam, zoals uit dit antwoord duidelijk blijkt.

Vraag 1

In verband met het hiervoor behandelde, kunnen nu enkele belangrijke vragen worden gesteld. Allereerst deze:

Zal deze verontreinigde (eerste) schepping nog eens voorgoed hersteld, en dit menselijk geslacht grondig verbeterd worden?

Op deze vraag antwoordt Gods Woord beslist ontkennend.

Wel worden van de tijd af, dat de zonde in de wereld kwam, mensen ‑ individueel  genomen ‑ uit het algemeen verderf verlost; wel zal in het toekomstig Vrederijk, als de grote verleider gebonden zal zijn, deze schepping met ongekende luister blinken; doch zelfs na deze laatsten proeftijd zal blijken, wie de mens is. De volken van de aarde zullen in menigte ten strijde trekken tegen God en Zijn heiligen, en tegen de “geliefde stad” (Openb. 20:8,9).

Eerst wanneer deze alle door het vuur van de oordelen van God zullen zijn vernietigd, als de TEGENWOORDIGE aarde en hemel zullen zijn “voorbijgegaan” en de doden geoordeeld ‑ eerst dán verschijnen de NIEUWE hemel en de NIEUWE aarde, waarop gerechtigheid woont (2 Petr. 3:13; Openb. 21:1).

“En Hij die op de troon zat, zei: Zie Ik maak alles nieuw” (Openb. 21:5).

“Daarom als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie het is <alles> nieuw geworden” (2 Kor. 5:17).

Ziehier wat het Woord van God ons leert: niet een oude toestand, die verbeterd wordt, maar een oude, die voorbijgaat om voor een geheel NIEUWE toestand ‑ dat is een nieuwe schepping ‑ plaats te maken.

Dit en dit alléén is waardig voor God!

Vraag 2

Maar in verband met de hiervoor gestelde en beantwoorde vraag, is ook de volgende van zo groot belang: Op welke wijze, langs welke weg, doet God die NIEUWE schepping en die NIEUWE mens tot stand komen?

Het Schriftuurlijk antwoord is: door middel van CHRISTUS en op grond van Zijn verlossingswerk.

Dit wordt in 2 Korinthe 5 vers 17 reeds uitgedrukt in de woorden: “als iemand in Christus is”. Christus is namelijk gekomen in de oude toestand van een zuchtende schepping en een verdorven mensengeslacht. Hij heeft Zich de zaak van mensen ‑ niet die van engelen ‑ aangetrokken, met het einddoel: vele zonen tot heerlijkheid te leiden (Hebr. 2:10). De HEER uit de hemel, als TWEEDE Mens, heeft ál de gevolgen aanvaard, die door de zonde van de EERSTE mens niet alleen over die mens en zijn nageslacht, maar tevens over de gehele schepping waren gekomen. De eerste mensheid was onder het vonnis van de dood gekomen; de eerste schepping aan de verderfelijkheid onderworpen geworden.

Maar bovendien ‑ en dit gaat véél verder ‑ de rechten van God waren geschonden, want door de zonde had de satan een recht gekregen, zijn aanspraken te doen gelden op de mens èn op de schepping.

De mens, die zich in ongehoorzaamheid losgemaakt had van God, was als gevolg daarvan als rechtmatige buit aan de duivel toegevallen.

Dit recht nu van de satan kon niet verbroken en het recht van God niet hersteld worden, de schepping kon niet vrijgemaakt noch de mens vrijgesproken worden, tenzij aan het recht van God volkomen genoegdoening zou geschieden.

Dit deed Christus.

Hij liet het recht van God volkomen gelden door in onze plaats te sterven, op deze wijze de duivel overwinnend op zijn eigen gebied en met zijn eigen wapen: de DOOD. In dat werk van Christus, die dood van het kruis, kreeg het recht van God zijn onbelemmerde loop en tevens zijn heerlijkste openbaring. Alles wat in de weg stond om  de eer van God te herstellen, de satan te ontwapenen, de mens te verlossen, de schepping te bevrijden ‑ het werd door de DOOD van CHRISTUS in één ogenblik opgeheven. Zo is dan door die kruisdood in beginsel een finaal einde gemaakt aan de gehele toestand, die als gevolg van de zonde was ontstaan.

Maar ‑ God zij dank! ‑ zien wij op het kruis het einde van de oude schepping, in Christus’ OPSTANDING is een nieuwe toestand geboren. De dood ‑ het kenmerk van onze oude natuur ‑ heeft Hij teniet gedaan, en het leven en de onvergankelijkheid ‑ de kenmerken van onze nieuwe natuur, naar ziel en lichaam ‑ aan het licht gebracht (2 Tim. 1:10).

Toen Christus in het graf gelegd en de toegang tot het rots‑graf met de steen was afgesloten, was, naar Gods gedachte, het oordeel over de oude schepping voltrokken; doch zodra de Heer Jezus op de derde dag uit dat graf verrees ‑ was in Hem de nieuwe schepping tot stand gebracht.1

Het was namelijk Gods plan van eeuwigheid om in dezelfde Persoon, door Wie Hij de eerste schepping tot stand gebracht had, óók de nieuwe schepping te voorschijn te roepen. In beide, zowel in de OUDE, waarin God Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid geopenbaard had, als in de NIEUWE, waarin Hij Zijn oneindige liefde en rijke erbarming zou tonen, neemt CHRISTUS, naar Gods wil en bestel, de EERSTE PLAATS in.

Voor velen is het moeilijk om dit te verstaan.

De oorzaak hiervan is, dat wij die geoordeelde schepping nog rondom ons zien, terwijl wij de zichtbare openbaring, de VOLTOOIING van de nieuwe schepping, nog niet kunnen aanschouwen. Wat het oog van het geloof reeds wèl aanschouwt: JEZUS, als het verheerlijkte en gekroonde Hoofd, geeft ons echter de vaste waarborg en duidelijke profetie, dat die voltooiing onmogelijk KAN uitblijven; en dat ééns de toekomstige aarde aan HEM zal onderworpen zijn.

Zij, die in Christus geloven, zijn reeds nu verzoend; straks zal blijken, dat alle dingen door Christus verzoend zijn (zie Kol. 1:20). Op die nieuwe aarde, onder die nieuwe hemel, die wij verwachten, zal het nieuwe JERUZALEM zijn als “een bruid, die voor haar man versierd is” (Openb. 21:2).

Dán zijn de “eerste dingen” voorbij gegaan; geen zonde, geen dood of tranen meer, maar een heerlijke schepping, welke noch bezoedeld noch verdorven kan worden, omdat niet de EERSTE Adam ‑ een afhankelijk schepsel ‑, maar de LAATSTE Adam ‑ de almachtige HEER ‑ haar Hoofd en haar kroon is.

Waar zo door Christus’ dood en opstanding de oude schepping een einde en de nieuwe een aanvang nam, moesten ook noodzakelijk al die dingen vervallen, in welke het karakter van die eerste schepping zijn bijzondere uitdrukking vond, om plaats te maken voor datgene, wat met de nieuwe in overeenstemming was.

Door Christus’ dood viel de “scheidsmuur van de omheining” weg (Ef. 2:14) het onderscheid tussen Israël en de volken hield op te bestaan. In plaats van een volk met een aardse roeping ‑zoals we hiervoor al opmerkten ‑ trad nu een volk met een andere en hogere roeping. Dat zijn zij die worden aangesproken als: “heilige broeders, deelgenoten van de HEMELSE roeping” (Hebr. 3:1). Deze vormen samen, als kinderen van één Vader, één familie, één huisgezin, die als “heiligen” van de wereld zijn afgezonderd en in Christus zijn gezegend met alle geestelijke zegening in de HEMELSE gewesten (Ef. 1:3).

Door dit einde van het aardse volk met aardse zegeningen, moest de ZEVENDE dag, of sabbat, ook komen te vervallen. In die dag toch lag het karakter van de eerste schepping uitgedrukt. Het behoorde tot het beginsel van die schepping: eerst te werken ‑ daarná te rusten, terwijl het juist tot het wezen van de nieuwe schepping behoort: eerst te rusten ‑ daarná te werken.

Is iemand “in Christus”, en als zodanig een nieuwe schepping, dan is hij tot de rust van Christus gekomen, om met die rust als UITGANGSPUNT uit te gaan tot de arbeid van zijn nieuwe, hemelse roeping.

Hebben wij dit alles verstaan, dan kan het ons niet meer bevreemden, dat, als die wonderbare sabbatdag, gedurende welke Christus in het graf lag, voorbij is, in de Schrift van stonde aan de EERSTE dag van de week op de voorgrond treedt.

Alle vier de Evangeliën beschrijven wat er op die dag van de opstanding heeft plaats gevonden. Hierna wordt ons in de Handelingen meegedeeld, dat de discipelen op de eerste dag van de week bijeenkwamen om brood te breken (Hand. 20:7). En het verder verloop van de geschiedenis van de gemeente, van ná de apostolische tijd tot op heden, toont ons het merkwaardige feit: dat overal, waar het Christendom kwam, NIET de zevende dag, maar WEL de eerste dag van de week als rustdag en dag van samenkomst werd aangenomen2.

Inderdaad is dit merkwaardig, aangezien de Heer Jezus tijdens Zijn omwandeling op aarde NIMMER enig gebod of aanwijzing daartoe heeft gegeven, terwijl wij in de brieven van Paulus evenmin enig bevel dienaangaande aantreffen, slechts de wenk om op die dag iets weg te leggen voor de armen  (1 Kor. 16:2).

Duidelijk blijkt uit dit alles, dat de Christenen van de aanvang af, zelfs vóórdat de uitstorting van de Heilige Geest had plaats gevonden, als door heilig instinct hebben begrepen, dat het naar de gedachten van de Heer was, en in overeenstemming met de beginselen van de nieuwe schepping, om de EERSTE dag van de week te bestemmen als dag van eredienst en weldadigheid, als de dag van de week, waarop zij van alle aardse bezigheden mogen rusten, ten einde die in het bijzonder, als “des HEREN dag“,3 aan de Heer te wijden.

NOTEN:
1. Het heeft een diepe betekenis en onze volle aandacht waard, dat de geboorte van de nieuwe schepping het TEGENBEELD toont van datgene, wat de eerste schepping teniet deed gaan. Het einde van de eerste schepping werd bewerkt doordat de dood intrad dáár, waar het leven was; de aanvang van de nieuwe schepping was: de Levensvorst, verrijzend uit een graf!
2. Tegenover het massaal verschijnsel bij de Christenheid van alle eeuwen, heeft de schrijver de afwijkende praktijk bij één kleine sekte (van betrekkelijk zeer jonge datum) dermate onbetekenend geacht, dat hij deze niet telt. Ons inziens terecht.
Noot van de bewerker:
3. Deze uitdrukking komt maar eenmaal voor, n.l. in Openb. 1 : 10. Het is in het oorspronkelijke een andere woordvorming dan de uitdrukking “dag van de Heer”, die we zo vele malen in het Nieuwe Testament vinden. Ze is gelijkluidend aan die in 1 Korinthe 11 vers 20 in betrekking tot het avondmaal, waar ook “des Heren” voorop staat. Bedoeld wordt dus hier: iets, wat de Heer toebehoort.
De Telos-vertaling, waaruit we veelal citeren wat het Nieuwe Testament betreft, heeft de volgende noot: In het Gr. staat hier een bijvoeglijk naamwoord van ‘Heer’ afgeleid (dus anders dan bijvoorbeeld in 1 Thess. 5:2), in de zin van ‘toebehorend aan de Heer’.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol