11 jaar geleden

De Alpha-cursus en het Woord van God (4)

Een eerlijke, liefdevolle toetsing van de Alpha-cursus aan de Schriften

MEER OVER DE WAARHEID VAN HET EVANGELIE

Hoofdstuk 4

We hebben gezien wat de boodschap van het evangelie is. Maar hoe passen we die toe op onszelf? Wat heeft die ons te zeggen’? En wat is de respons die de mens daarop moet geven? Het evangelie houdt ons, zoals we zullen zien, een “smalle weg” voor. Het houdt geen rekening met de gevoeligheden, meningen, inzichten of smaak van de mens. Het is een radicale boodschap die onze aandacht vraagt. Het raakt de kern van het probleem van de mens, de zonde, en laat hem de noodzaak van verlossing zien.

Hoe brengen we de boodschap van het evangelie?

De boodschap van het evangelie is niet vaag en vrijblijvend. Omdat het een boodschap van God is, is het geen stuk informatie van voorbijgaand academisch belang, op dezelfde voet als alle overige feiten. De openbaring van Gods heilig en rechtvaardig karakter, samen met Zijn liefde voor een verloren mensheid, is niet iets waar we kennis van kunnen nemen als van één van de vele feiten, waarna we onze eigen weg weer gaan. Het heeft duidelijke en wezenlijke implicaties en deze moeten we nauwkeurig nagaan.

a) Het evangelie spreekt zondaren aan met het gezag van God

Het evangelie spreekt tot ons met het volle gezag van God, omdat het geen boodschap van mensen is. Het beschrijft zonder compromis en naar waarheid onze toestand voor God. Het laat zien dat wij schuldig en veroordeeld zijn en volledig zonder mogelijkheid om daar zelf iets aan te veranderen. De mens heeft niet de wijsheid om zichzelf te redden. In zijn waardeoordeel is het evangelie onfeilbaar. Het eist daarom dat de mens dit oordeel over zichzelf aanvaardt als waar. Hij zal moeten instemmen met alles waar God hem van beschuldigt en de straf aanvaarden als rechtvaardig.

Paulus zegt tegen de Atheners dat ze hun inspanning om te aanbidden moeten opgeven. Hun tempels, hun ideeën, hun creaties zijn zinloos: “God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen” (Handelingen 11:30).

Tegen de heidenen in Lystra zei hij: “… dat gij u van dit ijdel bedrijf moet bekeren tot de levende God …” (Handelingen 14:15).

Dit wordt gesteld als een gebod. Het zegt ons wat wij moeten doen. Het richt zich op zo’n wijze tot de toehoorders dat ze dit als Gods Woord moeten aanvaarden. Dit is erg belangrijk. Het is geen boodschap waar je over kunt praten en discussiëren. Wij zijn niet vrij om daar heel lief en afstandelijk mee in te stemmen of het te verwerpen. In plaats daarvan komt het tot ons als het gebod van God.

In dit verband kunnen we zeggen, dat als er één kenmerk van apostolische verkondiging is dat onze aandacht vraagt, dan is dat de grote vrijmoedigheid. Toen de bidstond van de gemeente werd beantwoord met het beven en bewegen van de plaats waar ze vergaderd waren, lezen we:

“… en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid” (Handelingen 4:31).

Paulus herinnerde de gemeente te Thessalonika eraan dat:

“… ondanks de mishandeling en de smaad, die wij, zoals gij weet, te Filippi tevoren ondergaan hadden, hebben wij u, in onze God vrijmoedig, onder zware strijd het evangelie Gods gebracht” (1 Thessalonika 2:2).

Met de strijd voor ogen was het wel heel verleidelijk om de boodschap een beetje af te zwakken. Maar dat was voor hen geen optie. Het is “het evangelie van God”. Het komt met Zijn gezag. Het moet zo op zondaren toegepast worden dat ze niet in het onzekere verkeren over de waarheid ervan.

Vrijmoedigheid betekende niet dat de apostelen schreeuwden. Het betekende ook niet dat ze onbeleefd waren of dweepziek of twistziek. Nee, ze pasten onversaagd de boodschap van het evangelie op hun luisteraars toe en spraken als “ambassadeurs van Christus” (2 Korinthe 5:20, Eng. vert.). Het evangelie is een boodschap die de mensen indringend verkondigd moet worden omdat het met het gezag van God komt en de belangrijkste informatie is die een mens ooit te horen kan krijgen. Om 2 Korinthe 5:20 af te maken, wij moeten spreken:

“… alsof God door onze mond u vermaande; in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen”.

Van Petrus op de Pinksterdag wordt gezegd dat:

“hij, met nog meer andere woorden getuigde, en hij vermaande hen, zeggende: Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht” (Handelingen 2:40).

De mensen werden aangespoord om te geloven. Er werd bij hen op aangedrongen en men overtuigde hen. Het evangelie is te belangrijk om niet toegepast te worden. Het komt met het gezag van God en beveelt de mens te gehoorzamen.

b) De mens kan zich nergens verbergen

De apostelen lieten er bij hun toehoorders geen twijfel over bestaan dat ze God ongehoorzaam waren. Hun woorden waren niet zoetsappig of vleiend, hun boodschap werd niet ingekort en er was geen aanzien des persoons. De schuld van de mens, zijn dwaasheid en slechtheid werden zonder compromis blootgelegd.

De Joden, die de verantwoordelijkheid droegen voor de dood van de Heiland, werden herhaaldelijk herinnerd aan hun schuld. Petrus’ prediking op de Pinksterdag zegt dit duidelijk en onomwonden. Van de Here Jezus Christus zegt hij:

“… deze, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebt gij door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood” (Handelingen 2:23).

Hield Petrus zijn toehoorders de hand boven het hoofd? Nee. Bespaarde hij hun het schaamrood op hun kaken? Nee. Had hij een vriendelijke manier gevonden om over hun schuld te praten en over hun betrokkenheid bij de dood van de Here? Helemaal niet. Het wordt hun onomwonden gezegd. Ze zijn schuldig. Het is dan ook geen wonder dat ze na het horen van deze preek “diep in hun hart werden getroffen” (vs. 37). Het afschuwelijke van wat ze gedaan hadden, drong opeens tot hen door.

Hun vraag aan de apostelen: “Wat moeten wij doen, mannen broeders?”, krijgt ook een helder antwoord, voor geen tweeërlei uitleg vatbaar: “Bekeert u en een ieder van u late zich dopen …” (vs. 38). Dit was niet bespreekbaar. De mensen waren schuldig en moesten zich bekeren. Er was geen compromis mogelijk op dit vitale punt. Men kon het alleen aannemen en ernaar handelen, omdat “Het inderdaad het woord van God is” (1 Thessalonika 2:13).

Als de verlamde man bij de Schone Poort genezen is, spreekt Petrus aan de menigte die samengestroomd is als volgt toe: “Doch gij hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend en begeerd, dat u een man, die een moordenaar was, geschonken zou worden; en de Leidsman ten leven hebt gij gedood …!” (Handelingen 3:14-15).

Het “gij” wordt met grote nadruk gezegd, zonder het te verbloemen. Petrus’ toehoorders zijn schuldig verklaard en kunnen zich nergens meer verschuilen. Ook hun wordt dan het bevel gegeven, net als op de Pinksterdag: “Komt dan tot berouw en bekering” (Handelingen 3:19). Het evangelie past zichzelf toe op de harten harten van de mensen en zegt hun dat ze schuldig zijn in Gods ogen.

c) De mens heeft Gods hulp nodig om te geloven

De Here zegt zelf tegen de zondaren dat ze wedergeboren moeten worden om het koninkrijk van God te zien (Johannes 3:3l). Er is een werk van God voor nodig en de enige hoop om die toegang tot God te verkrijgen is door barmhartigheid te ontvangen. Terecht riep de blinde Bartimeüs tot de Here: “Zoon van David, heb medelijden met mij!” (Markus 10:48). Medelijden of barmhartigheid heeft de mens dringend nodig en dit geldt voor alle zondaren. Ze kunnen zichzelf niet verlossen. Jezus leerde Nicodemus ditzelfde. Hij had Gods hulp nodig, de nieuwe geboorte, om liet koninkrijk Gods binnen te gaan.

d) Christus alleen kan redden

Tevens is het een kenmerk van vrijmoedige evangelieverkondiging te zeggen dat er alleen behoudenis gevonden kan worden in Christus. Dit volgt weer logisch uit het vorige hoofdstuk. Daar zagen we dat God niet blij is, zelfs zeer toornig, ten aanzien van de eigen oplossingen van de mens voor zijn religieuze gevoelens. God wijst ze af. Alleen de weg die God aanwijst is goed en daarom zijn alle andere wegen afgesloten. De apostelen zeiden tegen het Sanhedrin:

“En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden” (Handelingen 4:12).

Tegenwoordig vindt men zo’n manier van waarheid overbrengen aanstootgevend. De theoloog R.B. Kuiper laat ons zien dat dit intrinsiek is voor het evangelie. Na opgemerkt te hebben dat de verlossing door genade alleen een steen des aanstoots voor de mens is, gaat hij verder:

“Het andere aspect van het christelijk evangelie dat aanstoot geeft en de natuurlijke mens zelfs woedend maakt, is de claim dat het exclusief is. Hij vindt zo’n claim onverdraagzaam en dweepziek. Toch moet dat aanstootgevende evangelie verkondigd worden zonder het geringste compromis, want compromis is vervalsing. De waarheid moet gesproken worden, de hele waarheid, hoewel natuurlijk altijd met bewogenheid, geduld en liefde”.

Dat is duidelijke taal. Christus alleen kan redden. Dit is ook van vitaal belang als we zien wat het ware evangelie is.

e) De gevolgen van het verwerpen van de boodschap

De weg wordt zelfs nog smaller doordat we weten dat de mens niet aan het oordeel kan ontkomen als hij de boodschap van levenbrengende genade verwerpt. Paulus waarschuwt in zijn toespraak te Antiochië zijn luisteraars:

“Ziet dan toe, dat u niet overkome, wat in de profeten gezegd is: Ziet, verachters, en verwondert u en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, dat gij voorzeker niet zult geloven, als iemand het u verhaalt” (Handelingen 13:40-41).

Zij die de boodschap verwerpen, worden in geen onduidelijke bewoordingen gewaarschuwd wat betreft de consequenties. In het laatste hoofdstuk van Handelingen worden de Joden in Rome gewaarschuwd omdat ze geen acht slaan op de boodschap:

“… en zonder het eens geworden te zijn, gingen zij uiteen, nadat Paulus dit ene woord gesproken had: Terecht heeft de Heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen gesproken, zeggende: Ga heen tot dit volk en zeg: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken, want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, en Ik hen zou genezen” (Handelingen 28:25-27).

Het is niet altijd nodig om de gevolgen op zo’n krachtige wijze aan te geven. Maar het is impliciet in de boodschap dat de prijs van verwerping van het evangelie bekend moet worden gemaakt aan de zondaren.
Er zijn nog veel andere gevolgen die genoemd zouden kunnen worden. Ze volgen uit wat we al gezien hebben van Gods karakter en de “zondigheid van de zonde”. Het verbaast ons niet als we zien dat deze boodschap zondaren ontmaskert en elke ontsnappingsroute blokkeert. Het is een smalle weg. Christus en Christus alleen kan redden en zondaren zijn gewongen naar Hem te te gaan om genade. Dit brengt ons bij het volgende.

Welke respons moet er op deze boodschap volgen?

Alles wat we al geleerd hebben over de inhoud en de implicaties van het evangelie, heeft ons voorbereid op dit laatste en vitale gedeelte. De evangelieboodschap leidt tot een belangrijke conclusie. Het vraagt zondaars iets te doen. Wat moeten ze doen? Ze moeten zich bekeren en hun geloof in Christus stellen.

We horen dit in de instructie die Petrus aan de menigte geeft op de Pinksterdag (Handelingen 2:38). Het was hetzelfde gebod dat Paulus aan de Atheners gaf (Handelingen 17:30). Het was de aanwijzing die aan de mensen in Lystra gegeven werd (Handelingen 14:15). Hetzelfde werd ook gezegd tegen de gevangenbewaarder in Filippi (Handelingen 16:31). In Paulus’ afscheidsrede aan de oudsten te Efeze herinnert hij hen aan het evangelie dat vraagt “zich te bekeren tot God en te geloven in onze Here Jezus” (Handelingen 20:21).

Net als met de inhoud van het evangelie zelf, veronderstelt men vaak dat iedereen volledig begrijpt wat bekering en geloof zijn. Maar dit optimisme is met gerechtvaardigd. De Puriteinen besteedden juist veel tijd aan deze vraag. Zij vonden het belangrijk om onderscheid te maken tussen waarachtige en valse bekering, en waarachtig en vals geloof. We willen nu iets aanhalen van hen en van hedendaagse schrijvers die ook in die traditie staan. We kunnen maar heel beknopt op dit onderwerp ingaan, maar we moeten het behandelen om meer inzicht te krijgen in de aard van het evangelie.

a) Bekering

In het woord bekering ligt het idee dat we ons moeten afkeren van onze zonden en van alles waarvan we weten dat het verkeerd is in Gods ogen. Het is echter niet enkel een verandering in gedrag en zedelijke verbetering. Bekering houdt ook in dat we de inhoud en de implicaties van het evangelie begrepen hebben. De hedendaagse theoloog Paul Helm benadert het ondenwerp van bekering als volgt:

“Bekering is niet een vaag besef van spijt, een algemeen gevoel. Het is specifiek spijt en verdriet over de zonde. Het brengt een verandering mee in denken over onszelf, een verandering van gezindheid”.

Dan gaat hij er dieper op in en zegt:

“Het is geen verandering van mening over een tamelijk onbelangrijke zaak, maar een verandering van gezindheid, van gedachten over de diepste dingen in het leven, de eigen morele en geestelijke idealen en normen, de relatie met God. Deze verandering van denken is een grondige verandering van waardeoordelen. Terwijl iemand er tevoren naar gestreefd heeft zichzelf te behagen in plaats van God te behagen door Zijn wet te houden, verwerpt de bekeerling zijn vroegere leven, overtuigd als hij is van zijn eigen zondigheid en van het feit dat hij tekortschiet wat betreft Gods normen en ze overtreedt. Hij beoordeelt het nu naar de norm van Gods wet, waar hij door de verlichting van de Geest nu mee instemt en zich aan onderwerpt. Hij keert zich af van die normen die hem voordien beheersten, met een bedroefd hart en met een diepgeworteld besef van onwaardigheid”.

Er is veel in deze zorgvuldige definitie om over na te denken. We zien hier de radicale aard van bekering. Dit is geen oppervlakkige zelfbeoordeling en een vaag besef verkeerd gedaan te hebben. Het is een grondig onderzoek van wortel tot tak. De mens ziet zichzelf in de weegschaal van Gods heilig karakter en geopenbaarde plannen en ontdekt dat hij hopeloos tekortschiet. Hij ziet zichzelf als iemand die tegen God gezondigd heeft. Zijn daden, houding en hele wezen zijn een overtreding tegen een heilig God.

Deze ontdekking gaat niet gepaard met onverschilligheid of een oppervlakkige ongerustheid. Men overziet alle implicaties. Het is een schokkende ontdekking en de oorzaak van verdriet. De Puriteinse prediker uit de 17de eeuw, Thomas Watson, zegt dit over de aard van waarachtig berouw:

“Een vrouw kan evengoed verwachten een kind te krijgen zonder weeën als dat iemand zich bekeert zonder berouw. Wie kan geloven zonder ooit te twijfelen, mag wel vraagtekens zetten bij zijn geloof, en wie zich kan bekeren zonder droefheid en berouw, mag wel vraagtekens zetten bij zijn bekering”.

Watson merkt onder andere op dat er schaamte voor de zonde en haat tegen de zonde is. Er komt geen bekering tot stand door halve maatregelen. Voor de mensen in Athene zou het betekenen dat ze inzagen dat ze slecht gehandeld hadden door hun eigen wegen te bedenken om God te aanbidden en voorbij te gaan aan alle duidelijke blijken die Hij van Zijn ware bestaan gegeven had. Het zou betekenen dat ze ermee instemden dat ze schuldig waren en volledig in het duister, rondtastende, zonder Hem ooit te vinden. Bovendien zou bekering hen verder gebracht hebben en van hen gevraagd hebben te aanvaarden dat ze niet in staat waren zichzelf te veranderen vanwege hun zondige aard en ze zouden beseft hebben dat ze onder het oordeel waren. En voor de Joden zou het betekenen dat ze hun verantwoordelijkheid aanvaardden voor het feit dat ze de Heiland gekruisigd hadden, Wiens komst voorzegd was in hun eigen Schriften, maar die ze toch met kwade wil opzettelijk ter dood hadden gebracht.

Bekering toont aan dat we totaal verloren zijn en nergens kunnen ontkomen. De man of vrouw, de jongen of het meisje, wordt ontmaskerd. Gods heilige wet is overtreden. Handelwijzen en daden, hetzij godsdienstig hetzij moreel, worden in het juiste licht gezien als in strijd met God en daarom terecht Zijn toorn verdienend. De Puriteinse prediker Joseph Alleine waarschuwt zondaren als volgt:

“De heiligheid van God is tegen u. Hij is niet alleen boos op u – misschien is Hij dat wel eens op Zijn kinderen – maar Zijn misnoegen tegen u is constant. Gods natuur is oneindig tegengesteld aan de zonde en daarom kan Hij niet blij zijn met een zondaar buiten Christus.

Iets daar van kennen we in waarachtig berouw. Er is echt verdriet over wat God Zelf is aangedaan door het overtreden van Zijn heilige wetten. Daarmee samenhangend is er een diep verlangen zich van deze dingen af te keren en God te gehoorzamen.

Wij kunnen terloops opmerken dat bekering ten nauwste samenhangt met een ander bijbels begrip – overtuiging van zonde. In het evangelie van Johannes lezen we dat het werk van de Heilige Geest ook inhoudt dat Hij de harten van de mensen doorboort over hun zonde en ze tot berouw brengt van wat ze gedaan hebben:

“En als Hij komt, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel; van zonde, omdat zij in Mij niet geloven; van gerechtigheid, omdat Ik heenga tot de Vader en gij Mij niet langer ziet; van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is” (Johannes 16:8-11).

Van bekering is sprake als de innerlijke overtuiging van zonde leidt tot een antwoord dat vrucht draagt. Waarom? Wat maakt het vruchtbaar? Omdat er tegelijk met de zonde-overtuiging het inzicht komt dat Christus’ offer hem kan redden. Waarachtige bekering is onlosmakelijk verbonden met een zaligmakend geloof

Zo komen we tot onze volgende en laatste vraag: “Wat is geloof?”

b) Geloof

Heel simpel gezegd is geloof het vertrouwen, dat de zondaar – die zich bewust is geworden van de noodzaak van een Heiland – in het volbrachte werk van Christus stelt. Het beaamt de historische feiten van Zijn persoon, maar ziet ook de hopeloze toestand waarin de mens zich van nature bevindt en vertrouwt dan op Christus voor vergeving en eeuwig leven.

Zich volkomen overgeven aan die genade is de essentie van zaligmakend geloof en hangt ten nauwste samen met het inzicht dat Christus alleen kan redden. Het is met name de toepassing van deze waarheid, die tot volle overgave van de zondaar aan Christus leidt. De zondaar voelt zich ertoe gedrongen tot Christus te komen. Hij kan zichzelf niet redden. maar ziet dat de dood van Christus aan het kruis in zijn nood kan voorzien. Waarachtige bekering en zaligmakend geloof gaan samen. De zondaar kan nergens anders heen dan naar de barmhartigheid van Christus. Hij is ervan overtuigd dat het verkeerd is ergens anders een weg te zoeken om tot God te komen en Hem te behagen. Al het andere werkt niet – erger nog, het heeft Gods misnoegen gewekt. Alleen God kan de situatie redden en alleen geloof in het werk van de Heiland op Golgotha kan voldoen. Echte verbrokenheid maakt je gevoelig voor het gebod om in Christus te geloven.
De Puritein Thomas Watson schrijft:

“Belijdenis van zonde brengt Christus nader tot de ziel. Als ik zeg dat ik een zondaar ben, wordt het bloed van Christus zo kostbaar voor mij! Als we dus belijden dat we schuldig zijn en dat we die schuld niet kunnen betalen, zelfs al zouden we voor eeuwig in de hel zijn, maar dat God Zijn Zoon heeft aangewezen om Zijn leven uit te gieten in de dood om zo onze schuld met Zijn bloed te betalen, hoe groot wordt dan de genade en wat een eeuwige liefde en bewondering krijgen we voor Jezus Christus!”

Geloof geeft zich met blijdschap over aan zo’n oneindig liefdevolle Heiland. Zo’n volle overgave betekent noodzakelijk ook een aanvaarden van Christus als Heer en een vast besluit om Hem te gehoorzamen. We moeten alles aan Hem toevertrouwen en onze eigen wil volkomen voor God opgeven. Alle gevoelens en verlangens worden nu aan Hem onderworpen. We hebben ons afgekeerd van een leven dat op onszelf gericht is. Dat betekent het verlies van onze onafhankelijkheid en de aanvaarding van al Gods geboden en het doen van Gods wil.

Uiteraard zijn er geen twee bekeringen gelijk, De ervaring van bekering en geloof verschilt. De volgorde waarin ze plaatsvinden kan verschillen. Maar wat vaststaat is, dat er een ervaring is. Er is immers iets gebeurd met die persoon!

Natuurlijk zal het theologische bewijs van de jonge gelovige niet volmaakt zijn. Er is een leven voor nodig om de praktische implicaties van de heerschappij van Christus uit te werken. Maar toch wordt er iets zichtbaar: “Aan hun vruchten zult gij hen kennen” (Mattheüs 7:20).

Hierbij laten we deze bespreking. We hebben de inhoud van het evangelie in het kort weergegeven. We hebben gezien dat het van ons, zondaars, vraagt ons te bekeren en ons geloof op Christus te vestigen. Waar deze kenmerken aanwezig zijn, kunnen wij zeggen dat het evangelie gepredikt is. Maar als sommige van deze kenmerken afwezig zijn, kunnen we op zijn minst zeggen dat er iets aan de verkondiging heeft ontbroken.

Chris Hand

Oorspronkelijke titel: “Falling short? The Alpha course examined”.
Epsom, Surrey U.K.
Stichting De Gouden Kandelaar, Twello

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol