11 jaar geleden

De Alpha-cursus en het Woord van God (3)

Een eerlijke, liefdevolle toetsing van de Alpha-cursus aan de Schriften

DE WAARHEID VAN HET EVANGELIE

Hoofdstuk 3

Wat is het evangelie? Dit is de meest fundamentele vraag die je maar kunt stellen. Daarover zijn alle christenen het eens. Geen evangelie betekent geen boodschap. Als het evangelie “de kracht Gods” is tot behoud voor een ieder die gelooft” (Romeinen 1:16), is het kennelijk essentieel en de verkondiging ervan is de belangrijkste taak van de gemeente.
In het licht van het belang van het onderwerp is het merkwaardig dat het antwoord op de vraag: “Wat is het evangelie?” door sommige belijdende christenen als vanzelfsprekend beschouwd wordt, bijna niet de moeite waard om te noemen. Sommige populaire boeken over evangelisatie gaan er min of meer van uit dat we allemaal wel weten waar we het over hebben als we over het evangelie en evangelisatie spreken. Hedendaagse verhandelingen over dit onderwerp zijn meer gericht op het probleem hoe je de boodschap aan de cultuur van de mensen moet aanpassen, of hoe je verlegenheid kunt overwinnen, of hoe je een gesprek met ongelovigen aanknoopt. Men gaat er eenvoudigweg van uit dat we allemaal weten wat de boodschap is.

Laten we eens nagaan wat er hier op het spel staat. Als je het evangelie niet goed brengt, dan is alles wat volgt ook niet goed. Als we de betekenis van het evangelie kwijtraken zijn we op een hellend vlak en zien we al gauw niet meer wat het ware christendom onderscheidt van al het andere. Daarom willen we in dit hoofdstuk in het kort naar de inhoud van het evangelie kijken. Het is een enorm onderwerp. Of we ons er wel of niet van bewust zijn, het heeft vele grote en verhitte debatten opgeleverd. Maar we zullen ons moeten beperken tot enkele basispunten. Wat zegt het evangelie? Welke waarheden brengt het naar voren? Weten we werkelijk wat we bedoelen met het evangelie? In het volgende hoofdstuk gaan we dan zien hoe het evangelie ons aanspreekt en wat de voorwaarden zijn.

Handelingen

Een voor de hand liggende plaats om een antwoord te vinden op onze vragen is het boek Handelingen. De reden is eenvoudig. In Handelingen kunnen we daadwerkelijke voorbeelden van evangelieverkondiging bestuderen. We vinden daar toespraken van de apostelen, zij het in beknopte vorm tot ongelovigen, soms van Joodse oorsprong, soms van heidense afkomst, soms beide gemengd, maar met hetzelfde duidelijke doel voor ogen: hun bekering. In Handelingen hebben we het voorrecht zowel de boodschap als de methode van de apostelen te zien, die – en dat moeten we niet vergeten – onder de inspiratie van de Heilige Geest spraken. Hun woorden zijn daarom exact zoals God ze bedoelde.

Zij verkondigden Zijn waarheid niet alleen aan de mensen die het voor het eerst hoorden in Jeruzalem, Athene, Lystra of waar ook, maar ook aan de komende generaties zoals de onze. Ze zijn aan ons gegeven, zodat wij kunnen leren en in staat zijn onze taak uit te voeren op de wijze die God bedoelt. In de apostelen hebben we mannen wier functie het was het fundament te leggen waarop de bediening van de gemeente van Jezus Christus gebouwd moet worden.

Met name de prediking in Handelingen 17, gehouden voor een publiek in Athene dat uit heidenen bestond, is het voorbeeld dat we diepgaand willen onderzoeken. Waarom deze preek? Omdat het Athene van Paulus’ dagen in haar cultuur het dichtst die van onze tijd benadert. Het komt heel dicht bij onze huidige samenleving, waarvan de wortels en banden in toenemende mate losraken van de kennis van God. De prediking in Athene is gehouden in een heidense cultuur, voor heidenen. Hoe graag we de waarheid voor onszelf in het westen ook verbergen, dit is toch in wezen ook de context van onze evangelisatie.

We willen ook naar iets van het onderricht van de Here Jezus Christus kijken. Hij is de Evangelist zonder weerga. Hij was het die ziende op de ongelovige generatie van Zijn tijd, zei:

“Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild!” (Mattheüs 23:37).

Het onderricht van de Heiland, hoewel uniek in zijn methode, geeft ons onschatbare lessen in het werk van evangelisatie.

Wat is de boodschap van het evangelie?

Er zijn veel manieren waarop je kunt proberen de inhoud van de evangelieboodschap te begrijpen. Welke informatie komt daarin tot ons? Wat heeft het ons te zeggen? De analyse die nu volgt is niet definitief maar belicht een paar sleutelkenmerken.

a) Het evangelie gaat over de God die we niet kennen

Het evangelie is een boodschap van God. Het komt van Hem en is in wezen een openbaring over Hemzelf. Hij heeft die aan de mensen gegeven, en zonder het evangelie zouden we niets weten van God en onze positie voor Hem. Paulus schrijft aan de Galaten:

“Want ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie, hetwelk door mij verkondigd is, niet is naar de mens. Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen ofgeleerd, maar door openbaring van Jezus Christus” (Galaten 1:11,12).

In het licht van het feit dat het evangelie van God komt, hoeft het ons niet te verbazen dat Hij het middelpunt van de boodschap is. Het geeft de mens de feiten aangaande Gods karakter, gedachten, verlangens en wil. Het evangelie geeft ons kennis over God die we anders niet zouden hebben. In het licht van die kennis zien we dan de mens. We lezen in Romeinen 1:18: “Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden”. God zegt ons iets over Zichzelf dat van “de hemel” geopenbaard wordt. Zo is ook “buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden” (geopenbaard, Romeinen 3:21). Het is Zijn toorn en Zijn gerechtigheid die geopenbaard wordt. Wij zijn mensen die het nodig hebben om de dingen geopenbaard te krijgen. De mens is bijkomstig, God is centraal.

Als we nu naar Handelingen 17 gaan, naar Paulus’ preek voor de heidenen in Athene, zien we dat dezelfde dingen benadrukt worden. Na iets gezegd te hebben over de inwoners van de stad en hun godsdienstige gewoonten (vs. 22) gaat hij uit van een inscriptie op een altaar dat hij gezien heeft tijdens zijn verblijf in de stad, en dat gewijd is “Aan een onbekende God” (vs. 23). Waarom doet Paulus dat? Wat heeft die inscriptie ons te zeggen? Het laat ons weten dat de mens onwetend is aangaande de ware en levende God. Hij kent Hem eenvoudig niet. In het licht van deze onwetendheid verklaart Paulus met vrijmoedigheid: “Hem verkondig ik u” (vs. 23).

En dat is nu het hele punt. Het is zo overduidelijk dat we het bijna over het hoofd zien.Het hart van het evangelie moet een nauwkeurig portret van God zelf zijn. Hij moet beschreven worden. Het is nodig dat we over Hem horen, over Zijn karakter., Zijn werken en Zijn voornemen. Het evangelie is een boodschap van God die ons zegt hoe God is.

b) God is degene die alles geschapen heeft en in stand houdt

En hoe gaat Paulus deze God dan verder voor zijn publiek beschrijven? We zouden kunnen denk en dat dit heidense publiek, vol filosofisch scepticisme en levend met de onzekerheden en angsten voorkomend uit de onvoorspelbare en lichtgeraakte “goden” die ze dienden, een boodschap van troost zou horen. Maar dat is niet wat er over zijn lippen komt. In plaats daarvan wordt de aandacht van zijn luisteraars onmiddellijk getrokken naar de grootheid van God de Schepper. Dus wordt de elementaire waarheid van Genesis 1:1: “In de beginne schiep God de hemel en de aarde” verkondigt aan het overwegend heidense gehoor. We lezen dan ook in Handelingen 17:24:

“De God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt”.

God wordt verkondigd als de Schepper van alle dingen die we kunnen zien. In het evangelie wordt ons gezegd dat het deze God is, onze Maker, die we moeten begrijpen. Zo’n waarheid is heel erg vernederend. Dit elementaire feit geeft de tooon aan voor wat er op volgt. Het geeft aan hoe Hij benaderd kan worden. Alle betrekkingen die we met Hem hebben, worden bepaald door het feit dat Hij onze Schepper is. Alles wat er over de mens gezegd kan worden, wordt bepaald in het licht van wat Hij zegt over Zichzelf als onze Maker.

Het is dus geen vergissing dat de apostel meteen de misvattingen over aanbidding corrigeert, die deze misleide heidense mensen aanvaard hadden. Hoe zouden met mensenhanden gemaakte tempels iets van betekenis kunnen bieden aan dit grote Wezen die de Maker is van alle dingen? Wat kan Hij met al deze menselijke pogingen doen? Het antwoord luidt: totaal niets. Het hele principe dat Paulus meteen aan het begin vastlegt, is dat we te maken hebben met een Wezen van onmetelijke kracht, heerlijkheid en pracht. We moeten luisteren naar het onderricht over Iemand die veel hoger is dan wij en superieur. Met deze opening zet de apostel ons meteen op onze plaats als slechts schepselen voor een groot en ontzagwekkend God.

Dit punt wordt verder uitgewerkt. We lezen:

“… en laat Zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft. Hij heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald” (vs. 25,26).

Deze boodschap plaatst God volkomen in het middelpunt. Hij heeft Zich niet alleen aan ons geopenbaard als de Schepper, maar ook als degene die alles in stand houdt. Wij stervelingen zijn van ogenblik tot ogenblik van Hem afhankelijk.

c) Hij is een God van goedheid

Als we even Athene verlaten, zien we dezelfde benadering elders als de apostelen heidenen toespreken. In Lystra denken de mensen, nadat ze een wonder gezien hebben, dat hun “goden” in mensengedaante tot hen gekomen zijn en ze proberen aan Paulus en Bamabas te offeren. Maar heel beslist worden ze gewezen op de Schepper en Bewaarder van het heelal:

“Mannen, wat doet gij daar? Ook wij zijn maar zwakke mensen zoals gij en verkondigen u, dat gij u van dit ijdel bedrijf moet bekeren tot de levende God, die de hemel, de aarde, de zee en al wat erin is gemaakt heeft” (Handelingen 14:15).

De Schepper is ook degene die voorziet in alle dingen die nodig zijn voor het bestaan van de mens.

“En toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wél te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken” (Handelingen 14:17).

De mens heeft dus te maken met een Schepper die ons goed doet. Hij is een goede God. Maar ondanks al Zijn goedheid zijn we onwetend over Hem. In Lystra wordt dezelfde boodschap gebracht als in Athene.

d) God is soeverein

Uit het feit dat Hij “de hun toegemneren tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald heeft” (Handelingen 17:26), blijkt dat Hij de soevereine heerser is over de naties. Zoals Hij leven geeft aan individuele mensen, zo bepaalt Hij ook de tijden en grenzen voor de naties. God verklaart dat alle naties alleen bestaan omdat Hij ze toelaat.

Dit moet nogal venederend zijn geweest voor de Grieken. die trots op hun cultuur en de geweldige prestaties daarvan waren. Dat wordt allemaal in zn juiste verband geplaatst in verhouding tot Gods uiteindelijke heerlijke plan. Van al de verfijnde kunsten van de wereldrijken en de zelfverheffing van de mens blijft niets over als de apostel verkondigt dat de mens niets kan doen, tenzij deze grote Soeverein en Heerser van de wereld het toelaat. God handelt zodanig dat “geen vlees zou roemen voor God” (1 Korinthe 1:29).

e) God is heilig

Dat God het middelpunt is van de evangelische boodschap, wordt verder bevestigd door ons te laten zien dat dit grote soevereine Wezen ver van ons af staat. De mens kan Hem niet vinden en kennen door zich daarvoor in te spannen. Hij is onbereikbaar. Hij gaat het menselijk begrip ver te boven. Hij kan niet rechtstreeks gekend worden. Hij is heilig. Wat de mens betreft, hij kan niet alleen deze God niet kennen of vatten, hij is ook in een toestand van zwakheid en heeft openbaring nodig.
Paulus legt dit aan de Atheners uit en vertelt hun dat de reden voor het feit dat ze leven is:

“… opdat zij God zouden zoeken, ofzij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enigen van uw dichters hebben gezegd: Want wij zijn ook van zijn geslacht” (Handelingen 17:27,28).

Arme mens! Hij is omringd door bewijzen van Gods goedheid en heiligheid., maar is niet in staat Hem te vinden. Zelfs de heidense dichters hebben het leerstellig bij het rechte eind zonder het te weten! En toch, ondanks dat deze Schepper voorziet voor de mens en hem adem geeft, ondanks dat Hij degene is die de verschillende volken en rijken tot aanzijn geroepen heeft, weten we nog steeds niets van Hem. Hij is zo nabij en toch zo ver. Hij is onze aanbidding en vertrouwen zo waard. maar wij zijn onwetend omtrent Hem. De mens kan slechts naar Hem “tasten”, en hopen Hem te vinden, maar er komt geen licht, geen inzicht. Ondanks alle vriendelijkheid en goedheid, ondanks de zegeningen die de mens uit Zijn genadige hand ontvangt, is de mens blind en onwetend. Wij kennen Hem niet omdat Hij heilig is en buiten ons bereik.

f) God moet ons laten zien hoe we Hem moeten benaderen

Aangezien God heilig is en afgescheiden van de zondaren, is de mens niet vrij te bepalen hoe hij Hem kan naderen. Dit volgt logisch uit alles wat we al over Hem gezien hebben. Het is een uiterst vemederende en beschamende boodschap. God heeft het recht en het voorrecht de mens te laten zien hoe Hij gekend en benaderd kan worden. Door dat te doen wijst Hij de eigen pogingen van de mens af en verklaart ze ongeldig en nutteloos. De verkondiging van Paulus aan de Atheners maakt dit heel duidelijk:

“Daar wij dan van Gods geslacht zijn, moeten wij niet menen, dat de godheid gelijk is aan goud of zilver of steen door menselijke kunstvaardigheid gesneden of bedacht” (Handelingen 17:29).

De Here Jezus Christus laat ons ook dezelfde essentiële waarheden zien. Het is een onontkoombaar feit dat de mens in het duister is en afgescheiden van God .

“Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen” (Markus 10:45).

De mens is er zo slecht aan toe in Gods ogen, dat “redden” en “losprijs” de beste woorden zijn om het probleem te beschrijven. De mens is ver van zijn Schepper vandaan, die hij zou moeten eren en aanbidden. Hij is een buitenstaander en heeft hulp nodig om het te begrijpen. Waarschijnlijk is het duidelijkste voorbeeld hier van wel het gesprek tussen de Here en Nicodemus. Hier blijkt dat “de leraar van Israël” (Johannes 3:10) onwetend is en een vreemde ten aanzien van de realiteit van het Koninkrijk van God. Ondanks alle kennis die hij bezit, is hij toch een vreemde wat betreft de wezenlijke kenmerken van God en hoe Hij benaderd moet worden. Daarom moet de Koning der heerlijkheid hem dit vertellen:

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien” (Johannes 3:3).

Het hele onderwerp is dus buiten het bereik en begrip van misschien wel de geleerdste uitlegger van het Woord van God in Israël in die tijd, terwijl Israël een volk was dat zo door God gezegend was (Romeinen 9:4). De arme Nicodemus snapt er niets van en moet opnieuw dezelfde waarheid horen, de noodzaak om met Gods hulp te zien en te verstaan:

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan” (Johannes 3:5).

De evangelisatiebenadering van de Here zelf zet de mens op zijn plaats. Hoe kan hij rekening houden met een God waar hij geen contact mee heeft!

g) De mens is God niet welgevallig

Maar deze om God gecentreerde boodschap heeft nog meer implicaties die volgen uit dat wat we al gezien hebben. Het is inderdaad het toppunt van dwaasheid en arrogantie dat de mens denkt dat hij in staat is te weten hoe hij God moet behagen en aanbidden. Toegegeven, de vindingrijkheid van de mens is bijna grenzeloos als het er om gaat wegen te bedenken om tot God te naderen. De altaren en tempels van Athene waren een welsprekend getuigenis daar van. Ondanks alle kunstige inspanningen van de mens, is het oordeel van God niet bepaald bemoedigend. God laat duidelijk Zijn volkomen afkeer van zulke pogingen zien.

“Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid voor God. Want er staat geschreven: Die de wijzen vangt in hun sluwheid; en elders: De Here weet dat de overleggingen der wijzen vruchteloos zijn” (1 Korinthe 3:19,20).

Wat God ten aanzien van de mensheid tot uitdrukking brengt, is Zijn toorn. De pogingen van de mens en al zijn prestaties kunnen God totaal niet behagen. Integendeel, ze wekken Zijn boosheid op. Het staat zo duidelijk in Romeinen 1:

“Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard” (Romeinen 1:18,19).

Wat is de samenvatting van dit alles? De mens is schuldig omdat hij Gods heilige wetten overtreden heeft. “Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid en de zonde is wetteloosheid” (1 Johannes 3:4).

Gods wetten, die zeggen hoe Hij bemind en gediend wil worden en hoe we ons ten aanzien van Hem en elkaar moeten gedragen, zijn overtreden. Dit is buitengewoon ernstig. Want het overtreden van Gods wet is geen abstract principe. Het betekent dat wij tegen God zelf gezondigd hebben. Het is Zijn wet die Zijn heilig karakter en verlangens belichaamt. De overtreding is persoonlijk. Wij hebben gezondigd tegen de levende God zelf.

h) De mens is een zondaar

God vertelt ons in het evangelie over Zichzelf. Nu zijn we in staat te zien wat Hij over de mens zegt. De kennis die geopenbaard en verkondigd wordt in het evangelie, geeft ons waarheden over de toestand van de mens. De mens die niets van de ware God weet, maar onder Zijn toorn is, is fundamenteel een zondaar. Hij heeft niets geleerd van de dingen die God voor hem gedaan heeft. Hij heeft de kennis die hij heeft, verdraaid tot valse aanbidding, valse religie en immoraliteit (Romeinen 1:20-32) Of het nu de heidenen in Athene zijn of het is de belezen en vrome Nicodemus, voor beide geldt wat Paulus zegt:

“Wij hebben immers tevoren Joden zowel als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder de zonde zijn” (Romeinen 3.9).

De Joden zijn evenzeer schuldig als de heidenen door Gods boodschap te verwerpen en zich Zijn toorn op de hals te halen. Paulus vat hen allen samen als hij zegt: “Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods” (Romeinen 3:23).

De werken van de zonde zijn zichtbaar in het slechte gedrag dat we overal om ons heen zien in de maatschappij. De Schrift zegt: “Het is duidelijk wat de werken van het vlees zijn …” (Galaten 5:19) en somt de verdorven daden op waar toe de mens in staat is. Het wezen van de zonde ligt in de mens zelf. De werken van het vlees zijn symptomen van het diepere probleem dat in het hart van de mens schuilt en tot in de kern van zijn wezen opgespoord moet worden. Hij is volslagen zondig van nature.

“De gezindheid van het vlees is vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens, het kan dat ook niet; zij, die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen” (Romeinen 8:7,8).

Als we zeggen dat de mens een zondaar is, beschuldigen we hem niet alleen van verkeerde dingen die hij gedaan heeft. De mens is vanwege zijn hele natuur en wezen op drift en gescheiden van God. Zijn hele gedachtewereid en hart is tegen God, tegen Zijn wetten, Zijn karakter en aard. De mens is niet in staat God te aanbidden of te naderen. Hij is een zondaar die beheerst wordt door een zondige natuur en schuldig staat voor God. Hoewel er weinig over de hel gepredikt wordt in Handelingen, is de implicatie toch aanwezig dat de mens onder het oordeel valt. Dat is een onderdeel van de evangelieverkondiging. In Handelingen 17 zegt Paulus dat de mensen in Athene zich moeten bekeren:

“… omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft” (Handelingen 17:31).

Het oordeel is een onontkoombaar gevolg van Gods heiligheid en de zondigheid van de mens. Het is niet een plezierige waarheid, maar God heeft de zondaren te lief om ze in onwetendheid te laten.

i) Christus de Redder van de mensen

We hebben over het evangelie gesproken en Christus tot nu toe nauwelijks genoemd. Hoe is dit mogelijk? Als we kijken naar Handelingen 17 zien we dat alle punten die we genoemd hebben over de inhoud van het evangelie, genoemd zijn voordat uitgelegd wordt wat God gedaan heeft om de situatie te redden. De apostel Paulus maakt eerst het punt van Gods karakter en wezen duidelijk, voordat hij ons het antwoord laat zien op het probleem van de scheiding tussen God en de mens.

Waarom? Omdat we het werk van Christus op Golgotha niet kunnen begrijpen, voor we de heiligheid en majesteit van God werkelijk verstaan. We moeten weten tegen Wie wij gezondigd hebben om er enig begrip van te hebben wat God in Christus gedaan heeft om ons te redden. Het is absoluut noodzakelijk dat we zien dat we tegen God zelf gezondigd hebben voordat we kunnen zien waarom er niemand minder dan Zijn eigen Zoon moest sterven in onze plaats. Als we niet weten dat we Gods wet hebben overtreden en dat we niets aan onze situatie kunnen doen vanwege onze zondige natuur, kunnen we niet vatten waarom alleen God voor ons kon handelen en waarom de dood van Zijn eigen Zoon daar voor nodig was. Het kruis van Christus is eenvoudig onbegrijpelijk zonder dat we beseffen dat God heilig is en dat zonde een persoonlijke overtreding tegen Hem is. Hieruit volgt dat het cruciaal is dat we geloven dat Christus zowel God als mens is. Het evangelie houdt in dat we in Hem geloven als de Heiland die onze plaats innam en voor ons stierf, maar ook dat Hij dit alleen kón doen omdat Hij God was en dus zondeloos. De historische feiten van het leven, de dood en de opstanding van Jezus Christus hebben betrekking op het evangelie, omdat ze laten zien wat God gedaan heeft om zondaren te redden. Paulus legt aan de Atheners uit dat God de wereld de verzekering geeft dat Christus de aardbodem rechtvaardig zal oordelen “… door Hem uit de doden op te wekken” (Handelingen 17:31). Het is een historisch feit. Als de gebeurtenissen van Pasen niet echt gebeurd zijn, dan is er geen verlossing. Paulus maakt dit duidelijk in 1 Korinthe 15. Voor hem houdt het evangelie de historische details van Christus’ leven en werk in:

“Want voor alle dingen heb ik u overgegeven hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften, en Hij is begraven en ten derde dage opgewekt, naar de Schriften, en Hij is verschenen aan Cephas, daarna aan de twaalven” (1 Korinthe 15:3-5).

Als Christus niet gedaan heeft wat er over Hem gezegd wordt, als Hij gezondigd heeft, als Hij niet letterlijk aan het kruis gestorven is, als Hij niet lichamelijk uit de doden is opgestaan, dan is de mens nog steeds in de duisternis en zonder hoop in de wereld. Dus het hart van het evangelie is de persoon en het werk van Christus. Hij is degene die hoop geeft, degene die leven aanbiedt, degene die alles gedaan heeft voor de redding van de mens. Maar Hij kan niet begrepen worden buiten de uitleg die al gegeven is om. Het evangelie is de boodschap over de Zoon van God, die gekomen is om een oplossing te brengen voor de ontzettende toestand waarin de mens verkeerde, om hem te redden van de straf voor zijn zonde en hem de voorrechten van de hemel te geven.

Uiteraard kan hier veel meer over gezegd worden. Het evangelie is een uitgebreid en heerlijk onderwerp. We hebben enkele fundamenten gelegd die ons kunnen helpen als we beginnen de Alpha cursus te evalueren. Als Alpha geen recht doet aan het evangelie, weten we dat het niet het antwoord is dat de kerk van vandaag nodig heeft om haar problemen op te lossen. Maar voordat we naar die vraag kijken, zijn er nog een paar andere dingen die we over het evangelie moeten weten.

Wordt D.V vervolgd.

Chris Hand

Oorspronkelijke titel: “Falling short? The Alpha course examined”.
Epsom, Surrey U.K.
Stichting De Gouden Kandelaar, Twello

Geplaatst in: , ,
© Frisse Wateren, R. Mol