6 jaar geleden

Christelijke eenheid (2)

Hoofdstuk 2

De oorzaak van verdeeldheid

We moeten weten wat en waar de wortels zijn van de verdeeldheid onder Gods volk. De wortel is meestal onzichtbaar en onherkenbaar. Een boom is niet te herkennen aan zijn wortels, maar aan zijn vruchten. We willen teruggaan naar de eerste Korinthebrief. Als we nauwkeurig de ellendige toestand van de gemeente van Korinthe in ogenschouw nemen, zien we dat er verdeeldheid was over dingen die eigenlijk bedoeld waren een heerlijke eenheid tot stand te brengen. Maar door de verkeerde geest van de christenen werden deze dingen juist tot schade. Dat is op zichzelf al iets om te onthouden. De bijbel is vol schijnbare tegenstrijdigheden. Dingen die door God tegelijkertijd geëist en verboden worden, dingen die eigenlijk tegen de duivel gericht zijn, maar die door de duivel zo verdraaid worden dat ze tegen God gebruikt worden. Dat laatste is een van de kenmerken van satans overwinning, dat geweldig grote dingen zo gebracht worden dat ze de duivel een dienst bewijzen. Wat waren dat dan voor dingen die in Korinthe deze verdeeldheid veroorzaakten en die dat tot in onze tijd nog steeds doen?

Personen – bedieningen – functies

“… Ik bedoel dit, dat ieder van u zegt: Ik ben van Paulus, ík van Apollos, ík van Kefas, en ík van Christus” (1 Kor. 1:12; 3:4*). “Laat daarom niemand roemen in mensen, … : hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Kefas …” (3:21,22).

Het is duidelijk dat deze persoonsverheerlijking een ernstige zaak was. Dat blijkt wel uit de hekelende woorden van de apostel. Wat was er mis? Het is duidelijk uit hetgeen Paulus hier zegt, dat de Korinthiërs door deze mensen tot geloof waren gekomen. En het is immers heel natuurlijk en volkomen juist dat gelovigen, die geestelijk gesproken alles te danken hadden aan een dienstknecht van Christus, een hoge achting voor zo iemand hadden. Op een andere plaats beroept Paulus zich op het feit dat hij een geestelijke vader van hen is. Dus daar lag het probleem niet. De voorkeur voor een bepaald iemand, voor zijn specifieke bekwaamheid, stijl, manier van doen, enzovoorts, heeft dikwijls geleid tot het vormen van groepen, zelfs binnen bepaalde kerken. Dit grenst dan heel dicht aan persoonsverheerlijking. Maar de werkelijke achtergrond van het probleem is veel ernstiger. Ik wil u graag herinneren aan de geweldige openbaring van Jezus Christus, die de apostel Paulus ontvangen had en die iedere situatie waarin hij terechtkwam bepaalde. Paulus’ mentaliteit werd bepaald door deze ene, alles te boven gaande openbaring van de ene Nieuwe Mens. Hoewel hij besefte dat verandering een proces is, en gelijkvormigheid aan het beeld van Christus een levenslang werk, waren er in al zijn geschriften twee basisfactoren. Ten eerste dat – in Christus – de oude, verwrongen, verdeelde mens volledig weggedaan is en geen plaats meer heeft, en dat er een volledig nieuwe mens is, totaal anders en niet individueel, een nieuwe schepping, waarbij geen plaats meer is voor iets van de mens of de duivel. In Christus is niet meer Jood èn Griek, enzovoorts (Kol. 3:11). Al dit onderscheid en deze verdeeldheid is opgehouden te bestaan. “In Christus” is slechts “één nieuwe mens”, slechts één mens en die is volkomen nieuw. Ten tweede leerde Paulus dat er een tijdstip komt waarop er geen plaats meer is voor iets “natuurlijks” of “menselijks”. Aanvankelijk is dit er nog wel in het christenleven, maar deze periode mag slechts héél kort zijn. Hij noemt dit de babytijd (in de N.B.G. de tijd van de onmondigheid; zie 1 Kor. 3:1). Als deze tijd te lang duurt, is dat heel abnormaal. Het eigenlijke probleem is dus dat men de hemelse dingen tot het aardse niveau verlaagt, het menselijke niveau. “Leeft gij niet als (onveranderde1) mensen?” en “… zijt gij dan niet (onveranderde) mensen?” (1 Kor. 3:3,4 – NBG-vertaling). Zelfs Christus wordt op deze wijze benaderd. Misschien dachten degenen die zeiden: “Ik ben van Christus”, dat ze boven de anderen uitstaken, en beschouwden zij zichzelf als superieur. Maar Paulus noemt ze gewoon in het rijtje van verdeeldheden, en zegt dan: “Is Christus verdeeld?” (1 Kor. 1:13). Ze gebruikten Christus op menselijke wijze om zo roem te dragen op hun zogenaamd “geestelijke” vlees. In zijn tweede brief raakt hij de kern van het probleem: “Zo kennen wij vanaf nu niemand naar het vlees; en al hebben wij Christus naar het vlees gekend, dan kennen wij Hem nu zo niet meer” (2 Kor. 5:16). In de verzen daarvoor wordt gesproken over onze eenheid met Christus in Zijn dood. Dat maakt een einde aan al het menselijke.

Samengevat kunnen we zeggen dat deze verdeeldheid een bewijs is dat men

a. de betekenis van één-zijn met Christus niet heeft begrepen.
b. de geweldige betekenis van Christus Zelf niet heeft begrepen.
c. is blijven steken in het kinderstadium.

In wezen wordt de lijn van de eerste mens, Adam, doorgetrokken; alles wordt op dat niveau teruggebracht. “Zijt gij niet mensen?” wil zeggen: “Waarom leven jullie nog als ‘oude’ mensen”. Wie zo bouwt op het fundament, Christus, diens bouwsel gaat op in rook en vlammen op de dag van het oordeel. Dit gedeelte in Paulus’ brief (1 Kor. 3:10-15) over “hout, hooi of stro” heeft alles te maken met het onderwerp van verdeeldheid. Als we op Christus bouwen met onze eigen voorkeur, ons vooroordeel, met wat wij fijn vinden, of niet, met partijschappen enz., dan worden we weliswaar gered, “maar als door vuur heen”. Meestal gebruiken we deze ernstige waarschuwing voor evangelisatiedoeleinden, of voor wereldse christenen in algemene zin, maar Paulus gebruikt het hier in samenhang met deze verdeeldheid en partijschappen.

Bedieningen

Er is alle reden om aan te nemen dat dienst en bedieningen een grote plaats innamen in het denken van de gelovigen te Korinthe. Lees de twee brieven eens vanuit deze gedachte en u zult zien hoe belangrijk dit is. We zouden zelfs kunnen zeggen dat deze beide brieven volledig gaan over de bediening in de gemeente. Maar opnieuw worden we geconfronteerd met die pijnlijke tegenstelling. Datgene wat bedoeld was tot opbouw, werd nu gebruikt voor afbraak; dat wat eenheid en versterking moest brengen, leidde juist tot verdeeldheid en ontbinding. Eén aspect hiervan willen we nader bezien.

De wortel van de zwakheid in Korinthe was niet slechts de persoonlijke vooringenomenheid ten aanzien van personen, maar ook ten aanzien van bedieningen. Men zag niet in wat de waarde en het belang waren van iedere vorm van door God gegeven bediening. De voorkeur voor evangelisatie verwierp en bekritiseerde de bediening van onderricht. En andersom, voorkeur voor onderricht bekritiseerde de evangelisatiebediening als “elementair”, “oppervlakkig”, enzovoorts. En zo kun je doorgaan en elk aspect en accent van de gehele bediening overbelichten, en op grond hiervan tot splitsingen en scheuringen komen. Dat is een afschuwelijk kwaad. Waarom beseffen Gods kinderen niet dat, wat geldt voor het lichaam, namelijk dat het één is en toch vele leden heeft (1 Kor. 12:12), ook waar is voor de bediening; ze is één, en heeft toch vele aspecten. Waarom zouden we van één van deze aspecten zeggen: “We hebben u niet nodig?” Wat is de reden van de achterdocht en het vermijden van bedieningen die de Heer onmiskenbaar zegent en gebruikt? De Heer wil dat de bedieningen elkaar aanvullen. Laten we onszelf deze vraag stellen: is het echt, eerlijk en volkomen ons verlangen dat Christus niets zal verliezen, maar dat Hij optimale groei zal zien in ons geestelijk leven? Gaat het ons daarom? Laten we onszelf eerlijk voor Gods aangezicht onderzoeken!

Als mensen, in wier geestelijk welzijn we geïnteresseerd zijn, werkelijk meer van Christus zouden vinden en geestelijk sneller zouden groeien in een andere kring van gelovigen, of onder een andere bediening, zodat er een grotere mate van Christus in deze wereld zou zijn, zouden we dan bereid en blij zijn dat ze ònze gemeente, groep, of ons zendingsgenootschap verlieten, en daar naartoe zouden gaan? Zijn we werkelijk bereid dat de Heer met alles wat Hem in ons beperkt afrekent, zodat Hij alleen alles is?

Proberen wij iets te handhaven en op de been te houden dat niet helder, vrij en open is voor de steeds toenemende volheid van Christus? Het komt uiteindelijk hierop neer of de Heer in Zijn soevereiniteit onze bediening heeft bepaald, of wijzelf. Als het van Hem komt moet het vervuld worden, en “de poorten der hel zullen het niet overwinnen”. We moeten er echter wel zeker van zijn dat we strijden tegen de poorten der hel, en niet tegen een verkeerde opvatting van datgene wat de Heer verlangt!

Kunnen we ons niet verblijden in alles wat werkelijk Christus verkondigt, zonder enige innerlijke reserve, voortkomend uit angst dat onze belangen misschien geschaad worden? We moeten oppassen dat we niet onze hand uitstrekken naar de ark om die op zijn plaats te houden. De Heer zal ons slaan als we dat doen.

Functies

De functies zijn een uitbreiding van de bediening. We hebben de specifieke bediening van apostel, profeet, evangelist, herder en leraar. Maar daarnaast zien we hoe het gehele lichaam dient. Elk lid is een orgaan en heeft daarom een functie. Deze functies zijn onderling verbonden en afhankelijk van elkaar, alle werkend in “eenheid van de Geest”, “in de gemeenschap van de heilige Geest”.

Paulus zegt in zijn brief ernstige dingen, zoals “het lichaam niet onderscheiden” (1 Kor. 11:29) en “Gods tempel schenden” (1 Kor. 3:17) enzovoorts. Al deze dingen hebben betrekking op het lichaam, de gemeente (corporatief), in verband met het getuigenis ten aanzien van de wereld. We kunnen tegen geen enkel lid van Christus zeggen: “Wij hebben u niet nodig” (12:21). Waarschijnlijk zullen we dat nooit zeggen, maar we handelen wel in die geest. Hebben we een negatieve of een positieve houding? Wat Paulus bedoelde was – en is: “We kunnen het onmogelijk zonder u doen!” Het gaat er niet om dat we een aardse instelling met een christelijke naam in stand houden, maar dat Christus en Zijn volheid tot uitdrukking komen.

“Opdat de wereld gelove”

We hebben gezegd dat het christendom zoals het nu is een totaal verkeerde basis heeft – een onmogelijke basis – van christelijke eenheid. Scheuringen onder christenen worden bekeken en beoordeeld vanuit een volslagen onjuist standpunt. Dat standpunt beziet het hele vraagstuk in het licht van het systeem dat het christendom geworden is. Het is niet meer de allesbeheersende ervaring van het absolute soevereine Hoofd, Christus, over een levend geestelijk organisme, Zijn gemeente. Het is integendeel een zaak van “kerken”, “zendingsgenootschappen”, “bewegingen”, “ondernemingen”, en “organisaties” met hun respectievelijke “leden”, “klanten”, “functionarissen”, “fondsen”, enz. Het is voornamelijk wat men in de wereld “gevestigde belangen” of “belangengroepen” noemt, in bepaalde streken en landen, persoonlijkheden, persoonlijke belangen, eigendommen enzovoorts. Het allerhoogste belang, de geestelijke maat van Christus (Ef. 4:13), wordt door al deze dingen bepaald, in plaats van andersom. De eerlijkheid gebiedt ons om de feiten onder ogen te zien en onszelf niet te misleiden met valse hoop en verwachtingen.

Een uitdrukking van christelijke eenheid op een adequate wijze is volslagen onmogelijk, zolang de huidige toestand voortduurt.

We zullen volledig opnieuw moeten beginnen. Tenzij we dat doen, zullen de opdracht en het getuigenis van de gemeente in toenemende mate gesaboteerd worden door achterdocht, vooroordelen, partijzucht en gekonkel. Deze rook uit de hel verstikt en verlamt en beperkt, zodat het christendom – ja, het evangelisch christendom – zichzelf verlamt. De onenigheid over leerstellingen, interpretatie, het opblazen van één punt ten koste van negenennegentig andere goede punten aan de ene kant, en het dragen van oogkleppen wat betreft vele on-bijbelse dingen aan de andere kant, is 15 hetzelfde als wat Uzzia deed in 2 Samuël 6: je hand uitstrekken naar de ark Gods, terwijl je geen geestelijk recht hebt de belangen van de Heer te behartigen. Door je beperkt geestelijk-zijn sta je de Heer in de weg, en dien je de vijand.

We hebben reeds gezegd dat de enige weg tot een adequate uitdrukking van eenheid een nieuw begin is. Wat is dat begin, en waar moet het plaatsvinden? Het is beter deze vraag te stellen dan te wroeten in het moeras van feiten aangaande de oorzaken en aard van scheuringen.

Het uitgangspunt en de basis van eenheid is het kruis
Is het de donkere schaduw van het wetticisme die het leven van de gemeente wurgt, zoals we lezen in de brieven aan de Romeinen en de Galaten? Let dan op hoe de Geest des levens de apostel leidt om het kruis naar voren te brengen als het enige, maar zekere middel tot bevrijding!

Is het de veelzijdige vleselijkheid, de “natuurlijke mens”, die de kop weer opsteekt, zelfs in “geestelijke dingen”, zoals in Korinthe? Zie hoe opnieuw “Christus en die gekruisigd” de enige remedie is! Gaat het om kleine jaloersheden en op je rechten staan, zoals in Filippi? Zie dan hoe Christus zich vernederde en “gehoorzaam is geworden tot de dood, ja, tot de dood van het kruis”, die hier gepredikt wordt als het voorbeeld voor overwinning! Zo is het in alle gevallen: een vitale eenheid, een eenheid met Christus in Zijn dood, die ook een kritieke ervaring in de gelovige is geworden, in de “dienstknecht”, in de “werkers” en in “het werk”, is de enige grond, de enige weg tot een zichtbare uitdrukking van eenheid.

We zullen moeten sterven, niet slechts aan de wereld en aan onszelf, maar ook aan ons werk, ons kerkgenootschap, onze zending, onze onderneming of onze beweging als zodanig. Dan blijft er maar één doel over, dat alle andere belangen terzijde stelt, dat is Christus. Meer van Hem en Zijn volheid! De “ik” uit Galaten 2 vers 20, die gekruisigd is met Christus, bestrijkt een veel groter gebied dan slechts een juridische dood. Het heeft te maken met alle godsdienstige en traditionele verhoudingen, zoals uit het verband blijkt. Paulus zegt hier in feite dat “niet meer ik” betekent, dat hij dood is voor de wet en zijn inzettingen, dat is het judaïsme. Het kruis verheft niet alleen Christus ver boven het “christendom” (zoals wij dat kennen), maar onderwerpt het volkomen aan Hem.

De gemeente – volgens Paulus’ verklaringen – is geen combinatie van volken of klassen of kerkgenootschappen; ze is niet “inter-”, in welk opzicht dan ook, ze is één. Het kruis rekent met alles af en brengt dan “één nieuwe mens” tevoorschijn, slechts één, en volkomen nieuw, want Christus is de eerste van een nieuwe schepping.

Dit moet beginnen in het bewustzijn van een jong, pas wedergeboren kind van God. Niet bewust van dit of dat, maar bewust van Christus, en bewust van “wij zijn allen één in Christus”, niet slechts van leer of leus. Tenzij deze grond in bezit wordt genomen en alle godsdienstige en traditionele bewustheid wordt bepaald door onze bewustheid van Christus, blijft er uiterlijke en innerlijke verdeeldheid.

Het kruis is een sterke kracht, en het moet toegepast worden aan de wortel van ons bestaan en van ons systeem.

Slechts dan gaat Christus onze gedachten, opvattingen en houding tegenover andere gelovigen beheersen en alleen zo komt er echte, zichtbare eenheid.

* De teksten zijn geciteerd uit de Herziene Staten Vertaling, tenzij anders aangegeven.

NOTEN:
1. Het woord tussen haakjes staat niet in de grondtekst.

T. Austin-Sparks

Publicatie met toestemming van: Stichting “De Gouden Kandelaar” te Twello.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol