6 jaar geleden

Christelijke eenheid (1)

Hoofdstuk 1

Eenheid en het getuigenis

“Hierdoor zullen allen inzien …” (Joh. 13:35).
“opdat de wereld gelooft …” (Joh. 17:21) {4e herziene druk Voorhoeve Vertaling}.

Sommige veldslagen zijn al verloren voordat er een schot wordt afgevuurd. Andere worden slechts gedeeltelijk gewonnen en veel vijandelijk grondgebied wordt niet bezet vanwege sabotage. Om een ander beeld te gebruiken, sommige gebouwen die veel tijd, geld en arbeid gekost hebben worden bouwvallig, omdat er iets mis is met het fundament. Vroeg of laat worden de bouwlieden te schande gezet. Het is derhalve ontzaglijk belangrijk dat we, willen we slagen, een betrouwbare basis hebben voor we beginnen. Als we beginnen zonder deze basis zou het werk op niets kunnen uitlopen of stil komen te liggen. Het volle doel kan nooit verwezenlijkt worden als het begin, de basis, niet goed is.

We willen nu ons onderwerp van christelijke eenheid eerst bezien vanuit het algemene standpunt. Uiteraard vindt iedereen het erg dat de toestand is zoals die is! Maar toch zijn er verschillende reacties op die toestand. Velen denken dat de bestaande situatie zo vast ligt, zo ingeburgerd is, dat het je reinste idealisme is om te hopen op een verandering. Ze hebben zich daarom overgegeven aan gevoelens van wanhoop en nemen nu het standpunt in, dat we onder de gegeven omstandigheden er maar het beste van moeten proberen te maken. Anderen hebben tot hun eigen voldoening het probleem opgelost door te zeggen dat overal wel wat goeds in zit, hoe verdeeld we ook zijn, en dat we moeten proberen het verkeerde te vergeten en iets te maken uit het goede. Zo’n houding, logisch doorgevoerd, zou kunnen leiden tot een toenadering en verzoening tussen alle mogelijke groeperingen.

Er zijn nog anderen die een puur geestelijk standpunt innemen en zeggen: “Wij zijn allen één in Christus,” zonder naar de reële situatie te kijken. Dit is een irreëel, onwezenlijk standpunt dat aan de feiten voorbijgaat, die het immers tegenspreken. De wereld blijft zo verstoken van datgene, waarvan Christus zei dat daardoor “de wereld gelooft”. Dit wil niet zeggen dat deze laatstgenoemde houding niet het ware uitgangspunt is, maar het is niet voldoende en zal nooit de wereld kunnen overtuigen. Er zijn nog andere reacties op deze situatie denkbaar, maar ze zijn alle even oppervlakkig als die welke we genoemd hebben.

Velen die het ene of andere standpunt hebben ingenomen zijn tot de conclusie gekomen dat het erop aankomt “praktisch” te zijn en gewoon door te gaan met het werk. Zulke mensen vinden het tijdverspilling om zich eens te bezinnen of ze, met al hun goede bedoelingen, arbeid, kosten en toewijding, eigenlijk wel op het juiste spoor zijn of in een positie om het doel te bereiken.

Door de eeuwen heen en nu op zeer bedroevende wijze is het werk van God gehandicapt en belemmerd.
Spurgeon zat eens te luisteren naar een van zijn studenten die een preek hield over “De hele wapenrusting van God”. Heel levendig deed de student alsof hij één voor één de onderdelen van de wapenrusting aandeed, en het ging hem zo goed af dat hij vol zelfingenomenheid uitriep: “En waar is nu de duivel?”. Spurgeon fluisterde hoorbaar: “Hij zit in de wapenrusting!”
Is dit niet het geval met de gemeente hier op aarde? Ondanks haar geweldige boodschap, de waarheid van haar leer, de kosten van haar werk, is ze zo verslagen. Er is iets binnengeslopen wat tegen haar getuigt. De overtuigingskracht van eenheid, echte eenheid, wordt gesaboteerd.

Het is een feit dat de gemeente – waarmee we christenen in hun onderlinge verbondenheid bedoelen – veel eerder bereid is zich bezig te houden met allerlei christelijk werk dan dat ze bereid is de basis te leggen voor het slagen daarvan.

We moeten echter iets doen aan deze situatie, want dit is niet een beschuldiging of zomaar een uitspraak; we zullen iets moeten doen om tenminste wegen tot herstel aan te geven.

Laten we eens zien hoe de situatie aanvankelijk was. Het is duidelijk dat de opdracht van Christus voor de hele wereld was. Dit betekent dat, of de wereld het gelooft of niet, de oproep moet uitgaan “dat allen tot erkenning van de waarheid komen”. Na de opstanding en de verheerlijking van Christus waren alle essentiële elementen van de christelijke boodschap aanwezig en de discipelen hadden een volledig evangelie kunnen prediken. Maar de Heer beval hen “te blijven wachten …”. Eerst moest de Heilige Geest komen om hen toe te rusten voor het getuigenis. Ja, dat weten we, maar misschien begrijpen we het slechts oppervlakkig. We spreken over kracht, zonder te weten wat dat precies inhoudt! Tongen, vrijmoedigheid, overtuigende verkondiging enz. worden gezien als de belangrijkste kenmerken van de pinksterdoop. Maar er hing meer mee samen dan openbare bediening.

Het gebed van Christus

Christus had gebeden voor dit getuigenis naar de wereld toe. Het ging om het bewijs dat Hij door de Vader gezonden was. Hij wist, dat alleen de prediking dat God Zijn Zoon in de wereld gezonden heeft, niet veel zou uitwerken in deze wereld, ook al was dat nog zo’n ontzagwekkend feit met verstrekkende gevolgen. En wat ook de overige kenmerken van het ontvangen van de Heilige Geest zouden zijn, het feit is dat Christus in Zijn gebed zich concentreerde op één factor, fundamenteel voor een effectief getuigenis: de eenheid van de Zijnen.

De overtuigende kracht van het getuigenis, de uitwerking van de hemelse waarheid, lag achter de dingen die gezegd werden, achter hun moed en hun extase. Die achtergrond voor al het andere was volgens het hart van Christus, “dat zij allen één zijn”. Zijn gebed ging dieper en raakte de wortel van al het overige.

Het slaat nergens op als we zeggen dat Hij iets geestelijks en hemels bedoelde, zonder een uiterlijke manifestatie of een concrete aardse uitdrukking daarvan naar de wereld toe. Als we eerlijk zijn kunnen we onmogelijk op deze wijze het probleem omzeilen. Nee, we moeten de waarheid onder ogen zien en volkomen eerlijk omgaan met het probleem waarmee we zitten. Het allereerste werk van de Heilige Geest zou zijn een lichaam te vormen en de organische eenheid daarvan zichtbaar te maken. Al het andere zou hieruit voortkomen en hiervan afhangen. Los hiervan zou al het andere nooit de volheid kunnen bezitten. De mate van leven en kracht, en daarom van bruikbaarheid en vruchtbaarheid, zou door deze eenheid bepaald worden. Als deze eenheid aangetast zou worden, zou dit het leven stuiten en in tegenspraak zijn met een onverdeelde Christus.

Als we dieper gaan kijken zien we hoe waar dit was in die eerste maanden van het getuigenis van de gemeente. En het hoeft ons niet te verbazen dat de grote vijand al gauw zag dat de beste strategie om deze machtige overwinning tegen te houden was onenigheid, verdeeldheid en innerlijke spanningen binnen de gemeente te brengen. Hoe meer de vijand hierin slaagde, hoe moeilijker het werk werd en hoe zwakker het getuigenis. Het gezag werd ondermijnd, de leer was niet meer overtuigend en men was alleen bezig met zichzelf. Ongeestelijke methoden en instellingen slopen binnen. Nu moest de mens de verantwoordelijkheid nemen en de last dragen van de hele organisatie en het in stand houden daarvan. De Heilige Geest kon de verantwoordelijkheid niet meer nemen.

Dit alles roept vragen op die beantwoord moeten worden. Bedoelde de Heer alleen een geestelijke of “mystieke” eenheid, zonder dat die plaatselijk in een gemeente tot uitdrukking zou komen? Als op bepaalde tijden in de kerkgeschiedenis de Geest een wonderbaarlijke manifestatie van deze eenheid gegeven heeft, zodat velen behouden werden en alle barrières tussen christenen onderling volledig verdwenen, moet dit dan gezien worden als Gods gedachte voor alle tijden, of alleen voor zo nu en dan? Is het hemelse normaal of uitzondering?

Vroeg of laat ontstaat er zo’n situatie, hetzij in een plaatselijke gemeente, hetzij in een groter geheel en dan hangt de hele toekomst af van een openbaring van wederzijdse liefde, van geestelijke eenheid die tot uitdrukking komt (geen georganiseerde eenheid). Het kan zijn dat de prediking, het “werk”, stil komt te liggen. Openbare bijeenkomsten worden verboden. Door vervolgingen komt alle georganiseerde aktiviteit stil te liggen. Dan hangt het leven van het getuigenis af van dit ene: geestelijke en praktische eenheid.

Nu we dit gezegd hebben moeten we eerlijk en moedig durven zijn. Deze zaak vraagt om een oprechte en moedige benadering. Er hangt immers zo veel van af! Het hele gevestigde systeem, dat in tegenspraak is met de gedachten van onze Heer, zal zich verzetten. Het is daarom buitengewoon belangrijk om heel duidelijk en concreet de werkelijke basis van eenheid vast te stellen. Daarom willen we zien wat het geestelijke fundament is in het Nieuwe Testament.

We hebben reeds gezien dat de komst van de Heilige Geest in de eerste gemeente een innerlijke en organische eenheid en verbondenheid tot stand bracht. Dit was meer dan slechts een uiterlijke en objectieve vorm. De uitdrukking in Handelingen 2 vers 14 dat Petrus “opstond met de elven”, heeft een diepere betekenis dan we zo op het eerste gezicht zouden vermoeden. Hieruit blijkt dat ze één waren, samen optrokken op spontane wijze. Het was de niet geplande uitdrukking van een gemeenschappelijke kracht, een innerlijk principe dat hen beheerste.
Ze waren allen gedoopt in één Geest en hadden daarom deze innerlijke eenheid; ze waren eensgeestes. En dat is ons uitgangspunt.
Er is geen hoop op christelijke eenheid en het gebed van Christus kan niet beantwoord worden, zonder dat iedere christen de Heilige Geest bezit en dat de Heilige Geest elke andere heerschappij terzijde stelt.
De betekenis hiervan zullen we nog zien in praktische aangelegenheden, maar dit heeft geen zin tenzij we dit uitgangspunt aanvaarden en ervaren. We nemen maar al te vaak de dingen als vanzelfsprekend, maar er moet een innerlijk verlangen zijn naar deze eenheid, zodat ons hart zich op de Heere richt en de Heilige Geest werkelijk Heer wordt en de vrucht van die heerschappij zichtbaar wordt.

Nogmaals, christelijke eenheid is vóór alles het resultaat van een duidelijk en machtig werk van de Geest van God in de gelovigen.
Is dit aanwezig, dan wordt onmiddellijk het eerste kenmerk van deze eenheid zichtbaar, namelijk de heerlijkheid van de Naam van Jezus.

De heerlijkheid van de naam van Jezus

In de eerste gemeente draaide alles om “de Naam”.

Geen nieuwe leer

We lezen nergens dat de apostelen de wereld introkken met “de leer van Jezus”. Ze verspreidden geen nieuwe leringen of een systeem van waarheid. Hoewel ze beschuldigd werden dat ze een “vreemde leer” verkondigden, bevestigden ze in wezen slechts bepaalde feiten. Aan de Joden legden zij de Schriften uit. De leer van het Nieuwe Testament werd geschreven voor het onderricht van de gelovigen. Negentig procent van het Nieuwe Testament is voor gelovigen bestemd. Het onderricht was een gevolg, geen oorzaak.

Hooguit bewezen ze hun getuigenis uit de Schriften en bevestigden ze bepaalde feiten betreffende de persoon van Christus.

Geen nieuwe religie

Het Christendom werd niet als een nieuwe godsdienst naast andere, bestaande godsdiensten gebracht. De apostelen hadden niet het besef dat ze een nieuwe leer verkondigden.

Geen nieuwe beweging

Er waren geen plannen. Er was geen beleid. Er was van tevoren niets georganiseerd. Niets was officieel, alles was heel eenvoudig en geestelijk. Er werd nooit een volledig uitgewerkte campagne gevoerd. Ze kwamen niet op de gedachte iets op te richten, iets op touw te zetten, een sekte of “gemeente” te stichten. Wat de tegenstanders ook van hen zeiden omdat ze hun motieven niet begrepen, het enige kenmerk dat hen onderscheidde was leven. En leven bracht een organisme voort, geen organisatie.

Er werd slechts één feit verkondigd: de totale soevereiniteit en heerschappij van Jezus Christus als de Zoon van God, bevestigd door de opstanding uit de doden. Dit is wat we bedoelen met “De Naam”. Alles was “in de Naam van Jezus”.

De eerste prediking liep uit op: “Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in1 de Naam van Jezus Christus” (Hand. 2:40). Het lijkt erop dat Jakobus bedoelt dat dit de tijd was dat ze in Christus werden ingelijfd, toen de Naam over hen werd aangeroepen (Jak. 2:7). Dit is in overeenstemming met veel in zowel het Oude als het Nieuwe Testament met betrekking tot de gemeente – of het huis van God – dat Hij Zijn Naam daar vestigde.

Vanaf Handelingen 2 gebeurt alles in de Naam: genezing, gebed, prediking, samenkomen, gezag over satan en zijn demonen. Er staat: “Zij dan gingen weg uit de tegenwoordigheid van de Raad en waren verblijd dat zij waardig geacht waren, omwille van Zijn Naam smaadheid te lijden” (Hand. 5:41). Er was in de eerste plaats de fundamentele verenigende band van de Naam, en daarna de aktiviteiten, het leven en de werken, de wandel gebaseerd op de eer en de heerlijkheid van de Naam. Wat we willen zeggen is dat als de liefde voor de eer van de Naam nu was zoals in het begin, er geen plaats meer zou zijn voor andere namen, die verdeeldheid brengen, namen van mensen of leringen. Dat is het antwoord op elke vorm van verdeeldheid: Zijn Naam alleen!

De vraag die iedere aangelegenheid behoort te bepalen is: “Wordt hierdoor de Naam van Jezus verheerlijkt?” Zo niet, dan moet het plaats maken voor Zijn eer. Niets mag in de weg van Zijn eer staan. De Heilige Geest, de Bewaarder van de Naam en Zijn eer, zal dan Zijn welbehagen laten blijken door opnieuw te doen wat Hij toen deed.

Als we kijken naar het gebed van de Heere in Johannes 17, is het belangrijk op te merken dat er twee stadia zijn in deze eenheid. Vers 11: “… dat zij één zijn …” Letterlijk staat er in het Grieks: “… dat zij één mogen blijven”.
Vers 23 zegt: “… dat zij volmaakt zijn tot één …” Hier is het volmaakte doel bereikt. Er is nu een staat van eenheid die we mogen kennen, koesteren en bewaren, met “in alle nederigheid en zachtmoedigheid, met geduld, door elkaar in liefde te verdragen”, want … “Er is één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop van uw roeping” (Ef. 4:2,4).

Op deze basis van eenheid verder bouwen leidt tot volmaakte eenheid “… totdat wij allen komen …” (Ef. 4:13).

Op dit punt beginnen alle moeilijkheden en problemen. Hier ligt het probleem van iedere verdeeldheid en onenigheid in de kerkgeschiedenis.

Weinigen zullen moeite hebben met de basis-eenheid “in Christus”, maar ook zullen weinigen willen beweren dat de geopenbaarde eenheid is, zoals die behoort te zijn. Tussen die twee ligt een enorme kloof met een tragische en droevige geschiedenis. We kunnen nog zo ons best doen alles goed te praten, maar als we geestelijk gezind en eerlijk zijn zullen we moeten erkennen dat er maar één oorzaak voor is, namelijk geestelijke onvolwassenheid.

Scheidingen zijn het gevolg van geestelijke onvolwassenheid

Dat kunnen we op verschillende manieren formuleren: vertraagde geestelijke groei, geestelijke zwakheid, geestelijke onwetendheid, geen licht hebben, niet wandelen in de Geest, naar het vlees leven, blind zijn voor het hemelse en geestelijke karakter van de gemeente, de grootheid van Christus naar Gods voornemen niet zien, de betekenis van de wedergeboorte niet ten volle begrijpen. Al deze dingen zijn van buitengewoon groot belang en hebben alles te maken met de zaak van geestelijke eenheid.

In de brieven aan de Efeziërs en de Kolossers zien we de gemeente voorgesteld als volkomen in haar roeping, wandel en strijd. Maar in de brief aan de Korinthiërs zien we de opbouw in het dagelijks leven en de oorzaak van de droevige situatie waarin de gemeente toen en nu verkeert. Maar we lezen daar ook de principes waardoor die situatie veranderd kan worden. Hier wordt uitdrukkelijk gezegd dat scheuring, nijd en twist enzovoorts het gevolg zijn van geestelijke onmondigheid of te lang geestelijk een baby blijven (1 Kor. 3). De eerste vier hoofdstukken van deze eerste Korinthebrief gaan hierover en hoofdstuk twaalf is de remedie.
De sleutel tot het hele probleem is de gezindheid of de mentaliteit van de gelovigen.

Vernieuwing van het denken*

Alle geestelijke achterstand en wantoestanden in Korinthe waren het gevolg van de gezindheid van de gelovigen. We zien menselijke gezindheid, dit is de gezindheid van de natuurlijke, on-geestelijke mens (volgens de grondtekst “de mens van de ziel”; hfdst. 3:3,4; hfdst. 2:14).

De natuurlijke en vleselijke gezindheid wordt voortdurend tegenover de geestelijke gezindheid geplaatst in deze brief. Het probleem is dat het aardse het hemelse overschaduwt. Gods volk beseft nog niet voldoende dat de boze machten – satan zelf – juist een voet binnen de deur krijgen in het natuurlijk denken.

In Mattheüs 16 zien we een schokkend voorbeeld. Nadat Petrus beleden had dat Jezus “de Christus, de Zoon van de levende God” was, zei de Heere Jezus: “Vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is”. Slechts een paar verzen later spreekt Jezus dezelfde Petrus aan met: “Ga weg achter Mij, satan! U bent een struikelblok voor Mij, want u bedenkt niet de dingen van God, maar die van de mensen” (vs. 23).

Wat een smak maakte Petrus: van de hemel naar de hel! “In de hemelen” – “satan” – “mensen” – “vlees en bloed”.

In deze brief aan Korinthe zet Paulus de geestelijke mens naast de natuurlijke, het aardse naast het hemelse (hfd. 2 en 15). Hij zegt: “want vlees en bloed” kunnen het Koninkrijk van God niet beërven (1 Kor. 15:50). “Vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard” (Matth. 16:17).

Satan is een bondgenoot van de natuurlijke mens, en als wij op die basis leven kan de satan ons verblinden en verdelen. Maar we moeten niet vergeten dat Paulus schreef aan gelovigen. Dus gelovigen kunnen leven op dat “natuurlijke” niveau en daardoor satan grond geven voor zijn boze werk. Dit verklaart in menig opzicht de toestand van het christendom vandaag, inclusief het evangelisch christendom.

Laten we het maar ronduit zeggen. Het huidige georganiseerde systeem van het christendom heeft de christenen en hun leiders in situaties gebracht waaraan moeilijk te ontkomen valt. Het is een valse, een volkomen valse opvatting van eenheid en verdeeldheid. Het werk van God is grotendeels versplinterd onder namen, titels en predikaten die een uitdrukking zijn van een leer, techniek, land, methode of volk. Het is niet moeilijk kerken, zendingsgenootschappen en geloofsgemeenschappen op deze wijze in te delen, maar dat zullen we niet doen. U kunt het voor uzelf doen.

Maar dat is nog niet alles. Deze versplinteringen hebben ieder hun eigen klantenkring. Ze moeten hun eigen persoonlijke en financiële aanhang hebben. Gelden moeten binnenkomen voor hun onderhoud en ontwikkeling. Velen binnen zo’n organisatie krijgen hun inkomen hiervan en dat betekent dat er steeds meer “supporters” nodig zijn. Het werk, de kerk, de onderneming moet ondersteund worden, zodat de zaak blijft draaien. Daarom is de “klantenbinding” zo’n belangrijke factor.

Christelijk werk is gekristalliseerd in een vast patroon, een systeem, en zo algemeen erkend en aanvaard. Dit laat geen plaats voor iets anders. Iets buiten dit systeem is meteen verdacht. Dit alles heeft geleid tot een volkomen onjuiste en verderfelijke situatie wat eenheid betreft. Het is de “gemeente”, dit is de denominatie, de vorm, de orde, de leer, die nu eenheid of scheuring bepaalt. Als je uit de ene groep stapt en naar een andere gaat, wordt dit meteen “schaapstelen” genoemd. We willen in een volgend hoofdstuk hier dieper op ingaan.

NOTEN:
* Of “van de gezindheid” (Rom. 12:2, Eng. Vert.).

NOOT VERTALER:
1. In: eigenlijk “op grond van”.

T. Austin-Sparks

* De teksten zijn geciteerd uit de Herziene Staten Vertaling, tenzij anders aangegeven.

Publicatie met toestemming van: Stichting “De Gouden Kandelaar” te Twello, van der Duyn van Maesdamstraat 89, 7391 VK Twello.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol