God heeft Zijn volk met “sterke hand en uitgestrekte arm” uit Egypte uitgeleid. Naar menselijke maatstaven scheen het onmogelijk een miljoenenvolk door een zo grote en verschrikkelijke woestijn te leiden. Maar God leidde, verzorde en beschermde Zijn volk. Hij was bij hen en werd voor hen zichtbaar door de wolkkolom bij dag en door de vuurkolom bij nacht. Wat het volk betreffende hun wandel te doen overbleef, was steeds te letten op de wolkkolom. Sommige lange verblijven zullen veel Israëlieten niet goed hebben geleken. Toch betekende het te wachten tot God het vertrek aangaf. Dat wachten moest geleerd worden.
Echter ook een al te snel opbreken zal velen dwaas geleken hebben. Bij het opheffen van de wolkkolom was het directe opbreken, ook als het in de nacht geweest zou zijn, net zo belangrijk als dat door God bevolen wachten. Dan een weinig wachten zou ongehoorzaamheid geweest zijn. God alleen weet de juiste tijd van wachten en van handelen. Alleen door een volledige afhankelijkheid van God kon het volk zonder moeilijkheden het doel bereiken. Toen het van de wolkkolom afzag en sprak: “Laat ons mannen voor ons aangezicht heenzenden, die ons het land uitspeuren”, werd het hen noodlottig. Hoe belangrijk is het voor de gelovigen te letten op de aanwijzingen van God. Alleen Hij kent de gevaren van de woestijn en de lengte van de wegen.
Het volk Israël heeft de zichtbare wolkkolom voor zich. Wij hebben Zijn kostbaar Woord en Zijn Heilige Geest (vergelijk Haggaï 2:5). Maar laten wij bedenken dat Zijn aanwijzingen alleen erkend kunnen worden door een leven in gemeenschap met Hem.