Numeri 11:4
En het vermengde volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen Israëls weer en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?

Nauwelijks had het lied van de verlossing aan de overkant van de Rode Zee geklonken, of het volk mopperde: “Wat zullen wij drinken?” En hoe vaak lezen we, dat zij tijdens de woestijnreis mopperden. Niet dat hun gevoelens over de verdrukkingen in de woestijn op zich iets slechts zouden zijn. Wie zou in zo’n situatie bij honger en dorst niet in angst en nood raken? Maar dat zij hun nood iedere keer God verweten, dat was hun zonde.
Deze tekst toont ons, hoe het volk het manna, het brood uit de hemel, minachtte. Deze keer bestond er geen gebrek, maar het gemengde volk dat met hen uit Egypte was gekomen, werd begerig naar iets anders dan wat God aan het volk had gegeven. Als een besmetting sprong de ontevredenheid op de Israëlieten over, en ook zij begonnen te wenen. Het zijn tranen van weerbarstigheid en zij spreken heel onbillijk van de spijs van Egypte, die ze zogenaamd ‘om niet’ gegeten hadden. Hadden ze daarvoor niet ‘een harde dienst’ moeten doen en de zweep van de drijver te voelen gekregen?
Hoe ernstig is de gedachte aan dit gemengde volk en zijn invloed! De apostel Paulus waarschuwt op gelijke wijze: “Gaat niet met ongelovigen onder één juk” (2 Korinthe 6:14). Laten we opletten bij de reine spijs van het Woord te blijven en het nauwkeurig op te volgen. Laten we waakzaam zijn, dat er geen wereldse principes - dat terugverlangen naar de spijs van Egypte - in ons midden binnengebracht worden door hen die het daarmee niet nauw nemen!