
Beste cursist,
In hoofdstuk 10 van het Evangelie naar Mattheüs leert de Heere Jezus aan zijn apostelen op welke wijze en in welke gezindheid zij moeten uitgaan om het Evangelie van het koninkrijk Gods te prediken. Ja, zij waren apostelen, gezanten van de Christus’ Gods. Waar zij zo ontvangen werden daalde zegen neer en heerste er blijdschap. Zij moesten echter ook rekening houden met verwerping. Dat is ook voor ons een werkelijkheid (2 Timotheüs 2:12). In hoofdstuk 11 zien dat de Heere Jezus Zélf verworpen wordt te Galiléa. De Heere toont dan dat Zijn vrede niet van de omstandigheden afhing, maar vast verankerd lag in de gemeenschap (de omgang) met Zijn Vader. In hoofdstuk 12 zien we vervolgens dat de Heere Jezus ook te Judéa verworpen wordt. Ook hier zien we iets van de reactie van Zijn hart (zoals in hoofdstuk 11). Hier zien we echter ook een hele scherpe tekening van de schuld van de verantwoordelijke mensen, de geestelijke leiders van het volk (de Farizeeën).
Lees: Mattheüs 10:1-16 en 29-31 en Johannes 10:11-12 en Spreuken 30:25-27.
Welke dierennamen ben je tegengekomen en welk woord (welke les) past bij elk van deze dieren?
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
Weet je misschien nog meer “dierenlessen” uit de Bijbel?
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
N.a.v. Mattheüs 10:13: Kunt u één of meerdere huizen (of huiseigenaren) in de bijbel noemen, die de zegen mochten ondervinden om de Heere te ontvangen?
[Aanwijzing voor het Oude Testament: de Heere Jezus komt hier voor in de gestalte van de Engel des Heeren. Verdere aanwijzing: ook de ark des Heeren verblijft in het 1e boek van Samuël in huisgezinnen. Aanwijzing voor het Nieuwe Testament: er is ons tenminste één huisgezin bekend waar de Heere liefdevol werd ontvangen; er zijn echter ook huizen bekend waar Hij door boetvaardige zondaren werd ontvangen (Richteren, 1 Samuël en Lukas).]
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
Wat een zegen voor u als de Heere Jezus ook woning bij u heeft gevonden. In een hart dat gewassen werd in Zijn bloed. In een huis dat geheiligd werd door Woord en gebed.
Lees: Mattheus 10:16-42
In dit gedeelte zien we vervolgens dat het navolgen van een verworpen Christus allerminst een lichthartige zaak is. We moeten bereid zijn ons kruis op te nemen. Maar wat een troost: De weg die Hij hier beneden met ons gaat, bereidt ons voor op de plaats die Hij ons later in Zijn koninkrijk wil laten innemen, Ook bevat dit gedeelte lichtstralen, die ons tonen hoezeer onze God en Vader met ons lot is begaan:
Wat leert vers 20 ons hierover?
..............................................................................................................
..............................................................................................................
Wat leren de verzen 29-30 ons hierover?
..............................................................................................................
..............................................................................................................
Wat leert vers 42 ons hierover?
..............................................................................................................
..............................................................................................................
Er staat in dit gedeelte driemaal iets over onze hemelse Vader. Welke teksten? Wat?
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
Lees: Mattheüs 19:27-30 en Markus 10:28-31.
Onrecht en vervolging. Wij hebben tenminste drie vijanden. Welke?
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
Als er helemaal geen verdrukking in ons leven wordt gevonden, waar ligt dat dan aan?
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
Toen Johannes de doper de Heere Jezus diende, was dat nog onder de oude bedeling. Het koninkrijk der hemelen was nog niet gevestigd of geopenbaard. Daarom legt de Heere Jezus in vers 13 van hoofdstuk 11 een grens: vóór en tijdens het koninkrijk der hemelen. Wij, die in de tijd van het koninkrijk der hemelen mogen leven, ontvangen hemelse zegeningen. Johannes de doper stond nog in verbinding met de aardse zegeningen die aan het Israël Gods waren beloofd. Voor die tijd gold dat hij de grootste was. Waarom eigenlijk? Groter dan Abraham? groter dan David? Nee, niet op grond van zijn verdiensten, maar groter op grond van zijn functie.
Wat was dan de taak van Johannes de doper? (Markus 1:1-3; Johannes 3:28-30)
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
Lees nu nog eens Mattheus 11:25-30.
Hier vinden we woorden van de Heere Jezus, die misschien wel tot de mooiste uit het gehele Woord van God gerekend mogen worden.
“In die tijd” (vers 25). Welke tijd was dat? (aanwijzing: zie de inleiding van deze les)
..............................................................................................................
Aan welke woorden van de Heere Jezus, gesproken tot Zijn Vader, zien we dat Hij alle omstandigheden (ook verwerping) blijmoedig uit de hand van Zijn God en Vader ontvangt?
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
De Heere Jezus kiest volmaakt zorgvuldig en doelbewust zijn woorden als Hij uitnodigt om te komen. Wie roept Hij?
..............................................................................................................
..............................................................................................................
Wilde Hij daarmee niet zeggen dat Hij eigenlijk ieder mens niet één uitgezonderd, zou willen ontvangen!
Wat belooft Hij te geven?
..............................................................................................................
..............................................................................................................
Is er één belofte, één geschenk denkbaar groter, heerlijker dan dit? HOE groot is toch Uw liefde!!!
De Heere leerde ons naar de duiven te zien voor eenvoud, naar de slangen te zien voor voorzichtigheid. Naar wie moeten wij zien om ware zachtmoedigheid en nederigheid te leren?
..............................................................................................................
Bij Wie zouden wij immers meer volmaakte lessen kunnen leren?!
Lees: Mattheüs 12:1-13.
In dit hoofdstuk vinden ernstige confrontaties met de Farizeeën plaats. Zij willen de Heer van de sabbat vangen met de regels die zij voor de sabbat hadden uitgewerkt. De Heere toont hun dwaasheid aan. Hij voert drie bewijzen aan uit het Woord van God, en één uit hun eigen leven.
Welke bewijzen noemt Hij?
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
Lees: Mattheüs 12:14-21.
Hoewel de nadruk in dit hoofdstuk op de boosheid van de mens ligt, vestigt Gods Geest in de verzen 15 tot 21 toch de aandacht op de innerlijke heerlijkheid van de Heere Jezus.
Wat leren we als we Jesaja 42:2 vergelijken met Mattheüs 12:15-16? (aanwijzing: in vers 14 lezen we van het zeer boze overleg van de Farizeeën). Wat doet de Heere Jezus nu wél? (Mattheüs 12:15). Waarvoor kiest Hij dus uitdrukkelijk niet? (Mattheüs 12:16; Jesaja 42:2)
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
Hoewel we dit een ernstig en streng gedeelte kunnen noemen, zijn toch hier ook teksten die juist over heerlijke dingen gaan. Welke? (alleen tekstnummers noemen is voldoende)
..............................................................................................................
..............................................................................................................
Lees: Mattheüs 12:38-45 en nogmaals Mattheüs 12:1-8.
Hoe vaak wordt de Heer Jezus “groter dan” of “meer dan” genoemd? En “groter dan wie/wat”?
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
In Mattheus 12:22-37 dat we nu overgeslagen hebben, vinden we het oordeel van de Heere Jezus over de lastering tegen de Heilige Geest. Voor menig gelovige is dit een moeilijk gedeelte (geweest). Hierover is in les 4 geschreven. Mocht u vragen hebben: ik ben uiteraard graag bereid uw vragen te beantwoorden alsmede uw andere vragen.
Lees: Markus 6:3 en Mattheüs 12:46-50.
Hoe groot was het huisgezin van Maria en Jozef ten minste?
..............................................................................................................
Hoe heetten de broers naar het vlees van de Heere Jezus?
..............................................................................................................
Twee van hen schreven een brief van het Nieuwe Testament. Weet u ook welke?
..............................................................................................................
Met een hartelijke groet en zo de Heer wil tot de volgende les.
© Frisse Wateren - rm