
Hoofdstuk XI
Beste cursist(e),
Bij het lezen van dit hoofdstuk zien we weer: oorlog op oorlog, bedrog, leugen, list. Verschrikkelijk waartoe de mens, die geen rekening houdt met God, in staat is. Bij dit alles speelt het egoïsme een hele grote rol. Alleen maar denken aan zichzelf, aan eigen eer en doen waar men zelf zin in heeft. Daarvan lezen we verschillende keren in dit hoofdstuk: vers 3, 12, 36 en 37. Ook in voorgaande lessen hebben we al gezien, dat men uiteindelijk tegen God en alles wat Hem te maken heeft, in gaat.
Vraag 1. Schrijf het zinnetje uit onderstaande verzen op, waaruit dat blijkt.
vers 31: ..................................................................................
................................................................................................
vers 32: ..................................................................................
................................................................................................
vers 36: ..................................................................................
................................................................................................
vers 37: ..................................................................................
................................................................................................
We lezen in dit hoofdstuk ook weer verschillende keren: “ter bestemder tijd”. Dus aan dit alles is een tijdslimiet verbonden. God heeft het hele wereldgebeuren in de hand. Hij heeft van te voren besloten wat er allemaal zou gaan gebeuren. “Het is vast besloten, het zal geschieden” (vers 36).
Vraag 2. Schrijf de laatste regel van Efeze 1:11 op.
................................................................................................
................................................................................................
God heeft hiervan veel aan Daniël laten weten, hetgeen voor ons ten dele al geschiedenis is. Maar een deel van de openbaringen aan Daniël staan nog te gebeuren. In les 8 hebben we al de antichrist genoemd. En hier in Daniël 11, vanaf vers 36, zien we hem weer.
Vraag 3. Schrijf een paar kenmerken van hem op.
................................................................................................
................................................................................................
Hij wil niets met God te maken hebben. De Heer heeft dit duidelijk in Zijn Woord naar voren laten komen, want het is iets gruwelijks voor God: dat hij - maar ook de mens van nu - zijn eigen wil doet. Hoe is dat bij onszelf? Willen wij altijd de wil van God doen? Stellen we Zijn wil op de eerste plaats in ons leven, of is ons eigen verlangen groter? O, dat het bij ons toch zo mag zijn, dat we elke dag iets meer op onze Heer Jezus gaan lijken. Want Hij is het volmaakte Voorbeeld voor ons. Hij deed alleen de wil van God, IN ALLES.
Vraag 4. Wat zegt Hij in Johannes 4:34?
................................................................................................
................................................................................................
................................................................................................
Hij was in alles gehoorzaam aan Zijn God en Vader. Wij zijn, van nature, daartoe niet in staat.
Vraag 5. Lees Romeinen 7:15. Wat is er wel en wat is er niet?
................................................................................................
................................................................................................
Uit onszelf kunnen we het niet, laten we daarvan goed doordrongen zijn.
Maar ... als wij werkelijk verlangen in ons hart om alleen Gods wil te doen, dan zal Hij ons helpen.
Vraag 6a. Wat lezen we in Filippi 2:13?
................................................................................................
................................................................................................
................................................................................................
Van nature waren wij precies zo, staat in Romeinen 7:24: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood?” Wie kan ons helpen om niet meer de eigen wil te doen? Het antwoord staat in vers 25.
Vraag 6b. Schrijft u dat vers ook op?
................................................................................................
................................................................................................
Hem zij dank en eer!