Jan Snor heft zijn ogen omhoog en bidt een kort gebed: “O Heere, help en bewaar ons. Uit genade alleen. Amen”. Ondanks de spanning die nu als het ware in de lucht hangt, wordt hij toch rustig in zijn hart. Hoewel er nu meer dan één, ja zelfs veel meer dan vier Duitse soldaten zijn, blijft Jan Snor rustig en bedenkt hoe ze hieruit kunnen komen. Want dat ze aangehouden zullen worden, staat voor hem wel vast. Zeker in deze regio - ze zijn inmiddels in de buurt van Sint-Jansklooster gekomen, dus in de buurt ook van Meppel - waar de laatste maanden al zoveel jacht gemaakt is op OG-mensen en ontsnapte Joden. De Duitsers zijn erg wantrouwend geworden op de Nederlandse bevolking. En als ze deze boot ontdekken waarin vier mannen en twee jongens zitten, zullen ze ongetwijfeld willen weten wie zij zijn, wat ze aan het doen zijn en waar ze heengaan. Dit is nu precies wat de vrienden in de boot niet moeten hebben. Want ook deze Duitsers hebben zeker de opdracht uit te kijken naar een man met twee jongens. De twee jongens zullen hen mogelijk op het idee kunnen brengen, dat deze knapen wel eens de figuren kunnen zijn die ze moeten aanhouden. Dan zal die ene man ook wel in de buurt zijn, zo kunnen ze dan denken. Al deze dingen bedenkt Jan Snor en probeert ondertussen een weg te vinden om aan de Duitsers te ontsnappen. Hij hoopt dat boer Fedde hierin zal kunnen helpen. Hij weet hier immers goed de weg. De Duitse vrachtauto is inmiddels al zo dichtbij dat ze de Duitse soldaten goed kunnen onderscheiden. Het is duidelijk te zien dat ook deze soldaten belangstelling gekregen hebben voor de boot. Boert Fedde laat nu de boot op volle toeren draaien en schiet als het ware door het water. Maar de vrachtauto op de zandweg doet er ook nog een schepje bovenop. Gelukkig voor onze vrienden in de boot dat daardoor nog meer zandwolken omhoog stijgen waardoor het zicht op hen sterk verminderd. Dat kunnen ze ook wel goed gebruiken. Boer Fedde en Jan Snor kijken elkaar begrijpend aan. Zonder iets te zeggen hebben beide mannen begrepen dat dit misschien hun kans is. Ze zullen zo snel als mogelijk is de eerstvolgende zijvaart in moeten varen om zo aan de aandacht van de Duitsers op de zandweg te kunnen ontsnappen, om zo zelfs uit hun zicht te verdwijnen. Toch valt dat niet zo erg mee.
Een eindje verder ziet Jan Snor een brug over een smalle vliet, die niet linksaf maar juist rechtsaf gaat. Op de brug staat een man met een pet op. Het lijkt wel een boer. Dat zou wel kunnen want een eindje verder staat een boerderij. De man wenkt naar de vluchtelingen in de boot. Hij heeft gezien dat er Duitsers in aantocht zijn en snel begrepen dat er gevaar dreigt voor die mensen in de boot. Het was niet de eerste keer dat hier boten aangehouden werden door de Duitsers. En aan het gedrag van de stuurman in de boot maakt de man op de brug op dat zij wel eens hulp zouden kunnen gebruiken. Boer Ten Cate - zo heet de man op de brug, dus inderdaad een boer - weet wat hij moet doen. Hij zwaait nog eens naar de boot en ... wat doet hij dan, de slimmerik - hij draait de brug omhoog. Gelukkig weet hij dat het een ophaalbrug is en weet hij ook hoe hij die brug omhoog moet draaien. Er hangt een grote slinger aan een pal op de brug en daarmee kun je de brug omhoog draaien. Jan Snor begint breed te grijnzen en boer Fedde begrijpt wat de boer wil. Ze moeten onder de brug door en rechtsaf de smalle vliet in. Ook hier loopt wel een zandpad langs maar niet zo breed waardoor het moeilijker wordt om hen te volgen. Dit weten de vluchtelingen in de boot weliswaar niet, maar ze zullen het spoedig - ongetwijfeld tot hun vreugde - merken. Bovendien loopt het zandpad een eindje verder ook nog dood, zodat de achtervolging tot mislukken gedoemd is. Ze zijn nu bij de brug aangekomen en varen rechtsaf met de boot. Achter hen horen ze al behoorlijk dichtbij Duitse soldaten schreeuwen. “Die zien hun prooi al ontsnappen”, fluistert Babby opgelucht in Jee-Pee’s oor. Terwijl Jan Snor de boer toeroept: “Dank u wel, boer ... dank u wel ...”. Ook de jongens roepen nu “dank u wel”. De boer is ondertussen ook al bezig om zich van de brug te verwijderen de andere kant op, in de richting van de boerderij. Hij is snel verdwenen. “Ziezo, dat zoeken jullie zelf maar eens uit”, mompelt hij in zichzelf en kijkt daarbij nog eens in de richting van de Duitse soldaten. Hij ziet de soldaten niet omdat de brug omhoog staat, precies voor hun neus. Zij kunnen nu gelukkig niet verder. Vlak voor hun neus zien de Duitsers nu de boot verdwijnen tussen het riet. Ze roepen nog wel: “Halte mal ein, höre mal auf! Und schnell!” {dat betekent zoiets als: “Ho, stop eens even! En snel!”}. Samuël Polak roept terug in zijn beste Duits: “Schade. Das geht heute nicht. Wir haben Eile” {dat betekent: “Jammer, dat kan vandaag niet. We hebben haast!”. Daar moeten de jongens wel heel hard om lachen. Het duurt niet lang dat ze al een flink eind van de Duitsers verwijderd zijn en halen allen opgelucht adem.
“Pang ... pang ...”, klinkt het nu plotseling. “Liggen, allemaal, roept nu Jan Snor. “Deze Duitsers zijn nu erg boos en schieten op alles wat maar beweegt en dat zijn wij”. Gelukkig is er niemand geraakt, al scheelde het maar heel weinig. Eén kogel vloog vlak langs het hoofd van Babby, die daar geweldig van schrok. Hij hoorde het fluiten. Bezweet liggen ze allen op de bodem van de boot behalve boer Fedde die op zijn knieën nu de boot bestuurt. Gelukkig gaat dit goed en varen ze op volle kracht steeds verder bij het gevaar vandaan. Spoedig zijn ze zo ver van de brug vandaan dat ze niet meer kunnen worden geraakt. Nu kunnen ze wel weer overeind komen. Ze zijn echt opgelucht en geven elkaar de hand van blijdschap. Dit was wel heel erg op het nippertje. Ze zweten allen van spanning maar dat geeft niet. De Heere heeft hen opnieuw gered. Dat besefffen ze maar al te goed. Opnieuw ervaren ze de trouw en hulp van God, die alles in Zijn hand heeft en alles zo leiden kan dat Zijn kinderen geen kwaad overkomt. Als dat wel gebeurt, is dat niet omdat God Zich vergist heeft, maar dan heeft Hij daarmee een wijze bedoeling. Zijn plannen zijn niet altijd te doorzien, zeker niet tevoren. Dietrich en Jan Snor begrijpen dit, maar ook de beide jonge vrienden hebben de afgelopen week zoveel ervaren, dat zij er ook iets van kunnen begrijpen. Boer Fedde is ook diep onder de indruk van het gebeurde en zegt - na een lange stilte - met schorre stem: “Beste vrienden, wat we zojuist meemaakten mogen we rekenen onder de wat de Bijbel zegt in Romeinen 8 vers 28: “Wij weten, dat hun, die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede”. Eerbiedig buigen ze hun hoofden en danken de Heere in hun harten. Of Samuël Polak dat ook deed en er iets van begrepen heeft, weet ik niet, maar hij is wel diep ontroerd. De Heere spreekt op deze wijze ook tot zijn hart, ongetwijfeld.
Na een kwartier varen horen of zien ze al helemaal niets meer van hun Duitse belagers. Die staan misschien nog wel voor de brug. Boer Fedde is hier nog nooit geweest maar weet wel dat dit de goede richting is om in de buurt van Meppel te komen. Ze laten Meppel nu links liggen als ze zo door kunnen varen. Boer Fedde hoopt dat hij een eindje verder weer op bekend terrein zal komen. Dat gebeurt na een half uur ook inderdaad. Het is zelfs zo dat de tocht hierdoor aanzienlijk verkort is. De route die ze nu hebben gevolgd, brengt hen nu al voorbij Meppel. Nog een half uur en ze zijn al in de Dedemsvaart. Jan Snor komt nu ook op wat bekender terrein. Hier kent hij verschillende mensen die ‘te vertrouwen’ zijn. Dat betekent bij de OG dat je op deze mensen kunt rekenen als er nood is. Zij willen je altijd helpen, zelfs al betekent dat voor henzelf gevaar. Nu is Sundal ook niet meer zover weg en kunnen ze, als verder alles goed gaat, vandaag misschien nog kasteel Sundaele bereiken. Dat zal de jongens ook wel aanspreken. Jee-Pee en Babby zijn hier niet bekend maar weten wel dat de Dedemsvaart hen dichtbij Sundal brengt. Jan Snor vindt het nu wel tijd om de jongens te vertellen dat ze waarschijnlijk vandaag nog thuis zullen kunnen zijn. “Jongens, als we het kasteel Sundaele bereiken, kunnen jullie vandaar uit naar huis. Maar eerst moeten we proberen de rivier de Sunne te bereiken. Daarbij hebben we de hulp van een ‘vertrouweling’ zeker nodig. Maar dat is geen probleem. Ik ken hier in de buurt wel enkele personen die ons zeker willen helpen”. De ogen van de beide vrienden beginnen te glanzen. “Weer thuis, o wat heerlijk”, jubelt Babby. Tranen van geluk stromen hem daarbij over zijn jonge gezicht. Jee-Pee krijgt het eveneens warm van binnen en roept dan: “Hiep hiep, hoera”. Samuël Polak glimlacht vriendelijk naar zijn twee nieuwe jonge vrienden. Kasteel Sundaele betekent ook voor hem een voorlopig veilig onderkomen. Hij deelt dan ook de blijdschap. Terwijl boer Fedde behendig de boot bestuurt gaat het gezelschap nog wat brood eten op aanraden van Jan Snor. De boot wordt even stil gelegd op een rustig plekje en de petten gaan af. Jan Snor spreekt een kort dankgebed uit voor het eten en dankt de Heere voor Zijn redding. Na het “amen” eten ze allen hun brood dat ze nog bij zich hebben. Boer Fedde is al snel klaar en stelt voor dat hij al vast verder vaart. “Natuurlijk, u bent onze stuurman op deze bootreis, boer Fedde”, antwoordt Jan Snor. Daarbij knikken ze allemaal ‘ja’.
Dan gaat het weer verder. Na ongeveer eeen half uur gevaren te hebben in de Dedemsvaart roept Jan Snor plotseling: “Ho, stop maar, boer Fedde. Hier woont een bekende van mij. Deze kan ons vast helpen om naar kasteel Sundaele te komen”. Boer Fedde stuurt de boot naar de kant waarheen Jan Snor wijst. Daar aan het water ligt een boerderij verscholen achter het riet en een paar bomen. Je kunt het amper zien nu alles zo prachtig groen is. Als de boot vlak aan de kant is, springt Jan Snor op de kant en legt de boot met het daarvoor bestemde touw vast aan een paal. “Wachten jullie maar even, dan kijk ik eerst of alles veilig is en of er iemand thuis is”. Spoedig is Jan Snor achter een boom verdwenen en loopt voorzichtig naar de boerderij. Hij heeft door al zijn tochten wel geleerd om altijd op je hoede te zijn, zelfs als je denkt dat het wel veilig is. Je moet eerst goed kijken of dit ook inderdaad echt zo is. Als Jan Snor bij de boerderij komt, lijkt alles wel uitgestorven. Niemand te zien. Ja, wacht eens, maar hij hoort toch wel iets ... Hij hoort een paard hinneken. Direct erna hoort hij ook stemmen die dichterbij komen. Snel duikt Jan Snor achter een boom de struiken in. Eerst eens zien wie er daar aankomen. Dan komen er twee mannen de hoek om. De ene heeft een zwarte pet op een blauwe overal. Dat is boer Bart Nijkamp. O gelukkig, denkt Jan Snor in de struiken. Maar die ander, wie is dat dan? Jan Snor schrikt geweldig, want deze man heeft een Duits uniform aan. Een Duitse soldaat? Wat is hier aan de hand? Even wachten maar dan voor alle zekerheid. Dan hoort hij de andere man ook spreken. “Ja bin ich tatsächlich auch in der großen Gefahr. Ich habe das selbe wie ein anderer Kamerad getan” {dat betekent: “Ja, ik ben eigenlijk ook in groot gevaar. Ik heb hetzelfde gedaan als een andere kameraad”}, hoort hij de man zeggen. Wat zal dat dan wel kunnen zijn? En wie is die andere kameraad? Nu wordt Jan Snor wel heel nieuwsgierig maar durft nog niet tevoorschijn te komen. “Het zal toch niet waar zijn”, schiet het door hem heen. Dan hoort hij iets heel interessants. “Mein Kamerad Dietrich, ist verschwunden und niemand weiss wo er ist. Herr Kommandant Fritz ist sehr verärgert das er verschwunden ist. Überal mü∫ten wir suchen. Und auch das Auto ist verschwunden mit welchem Dietrich fuhr. Jetzt ist er noch mehr verärgert, denke ich, weil ich auch verschwunden bin. Bitte, helfe mir!” {dat betekent: “Mijn kameraad Dietrich is verdwenen en niemand weet waar hij is. Kommandant Fritz is heel boos dat hij verdwenen is. Overal moesten we zoeken. En ook de auto is verdwenen waarmee Dietrich reed. Nu is hij nog meer boos, denk ik, omdat ik ook verdwenen ben. Alstublieft, help mij”}. Ja, het is toch waar. Het kan haast niet anders dan dat deze soldaat de kameraad van zijn vriend Dietrich is, die nu vlakbij in de boot zit. Ongetwijfeld is dit dan de Adolf waar Dietrich hem over verteld heeft. “Hoe wonderlijk wordt toch alles door de Heere geleid”, schiet het door Jan Snor heen. Dat is inderdaad een ding dat zeker is. Ondertussen zijn de beide mannen al doorgelopen en bevinden zich in een schuur.
Boer Bart Nijkamp zit wel een beetje met een probleem. Hij moet deze Adolf helpen en wel zo snel mogelijk. Hij begrijpt dat het ook wel zijn plicht is om dat te doen en wil dat ook wel. Maar hoe? Hij moet eventjes nadenken. Daarom brengt hij Adolf nu naar de schuur waar hij een soort schuilplaats heeft ingericht voor onverwachte bezoekers, zoals deze soldaat Adolf. Hoewel hij dat op dit moment nog niet beseft, hoeft hij gelukkig niet lang te wachten op een oplossing. Want terwijl hij in de schuur is en de deur achter hem dicht heeft getrokken en soldaat Adolf zijn voorlopige schuilplaats wijst, gaat de schuurdeur weer open. Boer Bart schrikt geweldig. Dit had hij niet verwacht. Maar dan ziet hij een man binnenkomen die hij al meermalen heeft ontmoet. Boer Bart is namelijk ook bij de OG, weet je. “Hallo Bart, hoe gaat het?”, klinkt het dan. “Hallo, die Jan, je laat me schrikken man. Maar geweldig dat je er bent. Welkom in mijn schuurtje. Je komt als geroepen”. Soldaat Adolf was ondertussen snel de schuilplaats ingedoken maar komt nu ook bevend tevoorschijn. Hij hoort aan de stem van boer Nijkamp dat het ‘goed volk’ is. Dan komt Jan Snor op hem af en geeft hem de hand. “Guten Tag, Herr Adolf. Hertzlich willkommen unter uns”{dat betekent: “Goedendag, mijnheer Adolf. Hartelijk welkom onder ons”}, zegt Jan Snor in zijn beste Duits tegen de soldaat. Het gezicht van Adolf begint helemaal te stralen want hij begrijpt dat hij onder vrienden terecht is gekomen en zich veilig voelen kan. De mannen in de schuur zijn alle drie blij met deze ontmoeting. Maar voor soldaat Adolf is er nog een verrassing. Daar zal hij snel achter komen. Jan Snor vertelt in enkele woorden waarom hij nu hier is. Hij wil graag vervoer naar kasteel Sundaele voor vier personen. Maar hij vertelt nog niets over Dietrich. Dat wil hij Adolf zelf laten ontdekken. Wel zegt hij dat er twee jongens en een vriend bij hem zijn. “Kom maar, dan zal ik jullie aan hen voorstellen”. Dan verlaten ze weer de schuur en lopen in de richting van de vaart, waar de boot ligt. Deze is amper te zien tussen het riet. Als ze dichterbij komen, zien ze de boot liggen. Jan Snor roept: “Volluk ...”. Vier paar hoofden komen overeind uit de boot. Wat er dan gebeurt, is haast niet te beschrijven. “Dietrich .... Dietrich ...”, gilt nu Adolf. Dietrich is zo beduusd dat hij in de haast om uit de boot te stappen bijna in het water valt. Gelukkig vangt boer Fedde hem nog op. Op de wal gekomen vliegt hij zijn kameraad om de hals. “Adolf ... o Adolf ...”, snikt Dietrich, “du hier. Was ist geschehen?” {dat betekent: “Jij hier. Wat is er gebeurd?”}.
Adolf valt van verbazing bijna om. Hij weet even niets te zeggen, maar houdt wel zijn kameraad vriendschappelijk en stevig vast. Ook hij krijgt tranen in zijn ogen. Beide soldaten begrijpen dat ze elkaar nodig hebben en niet tegenover elkaar staan. Dietrich begrijpt meteen dat ook Adolf gekozen heeft om te stoppen met het onrechtvaardig behandelen van de Nederlanders en daar was maar één weg voor. Gewoon verdwijnen uit het Duitse leger! Vluchten dus. En Adolf begrijpt dat Dietrich ook gevlucht is. Geweldig!!!
De anderen hebben zich inmiddels ook aan elkaar voorgesteld en zijn blij dat er weer enkele vrienden bij gekomen zijn. Vriendschap is heel belangrijk, in het bijzonder wel als er moeilijke tijden zijn. En een oorlog is een heel moeilijke tijd. Het is gewoonweg heel vreselijk als je dat mee moet maken. Dat ondervinden allen die hier op het erf staan van boer Bart op verschillende wijze. Ondertussen verwondert Samuël Polak zich bijzonder over de hartelijkheid van deze mensen. Dit kent hij niet zo, maar is er stiekum wel jaloers op geworden. Hij heeft in die korte tijd dat hij op de vlucht is al gemerkt, dat er veel onderlinge vriendschappen zijn onder de Nederlanders. In het bijzonder onder de christenen, waar hij als Jood altijd zo raar tegen aan keek en waar hij eigenlijk liever niets mee te maken had. Nu moet hij toch wel toegeven dat die christenen anders zijn dan hij altijd gedacht heeft. Hij zal er toch maar eens ernstig over gaan nadenken wat die christenen bezielt en wat hen zo drijft om zelfs Joden zoals hij te helpen. Hebben de Joden - zijn voorvaderen dus - niet die Jezus vermoord, die de christenen ‘de beloofde Messias die komen zou’ noemen? Hij heeft veel stof om over na te denken.
De twee Duitse (ex)soldaten hebben elkaar ook heel veel te vertellen, dat begrijp je. Dat doen ze nu ook. Toch maant Jan Snor hen om even naar hem te luisteren. Hij heeft snel een plan bedacht. “Beste vrienden, ik stel voor dat we vanuit hier verder reizen naar kasteel Sundaele en dat ook vriend Adolf met ons mee gaat”. Hij zegt het ook in het Duits voor Adolf en Dietrich. Beide kameraden beginnen bij deze woorden te stralen en knikken heftig van ‘ja’. Dat is een fantastisch plan. Ook het probleem van boer Bart is daarmee meteen opgelost, zodat ook deze heftig met zijn hoofd ‘ja’ knikt. En boer Fedde kan dan weer terug naar huis varen en kan misschien vandaag nog weer thuis komen. Dit is voor allen een zeer goede oplossing. “Maar ‘hoe’ moeten we dan naar kasteel Sundaele, oom Jan?”, vraagt dan Babby. Een slimme vraag. Ja, hoe moet dat dan? Allen kijken nu in de richting van boer Bart. Deze kijkt ernstig naar de grond, strijkt vervolgens met zijn handen door het haar en begint dan breed te grijnzen. “Wel, ik weet wel een oplossing. Over enkele ogenblikken krijg ik bezoek van een oude vriend van mij. Hij komt met paard en wagen. Dat is een uitstekend vervoermiddel in deze tijd. En bovendien ... hij woont in de buurt van Sundaele”. Het gezelschap wordt nu wel heel stil. Hoe is het mogelijk?
Babby en Jee-Pee kijken elkaar aan. Dat is geweldig. Nu komt ‘thuis’ wel steeds dichter bij. Maar wie zou dat dan zijn, die oude vriend van boer Bart? En wat fijn om weer op een boerenwagen te mogen zitten. Misschien ligt er wel weer hooi op. Of iets anders. Hoe dan ook, ze gaan naar huis! Ze slaan elkaar van blijdschap op de schouders en dansen een vreugde-rondje aan de kant van de vaart. Jan Snor kijkt hen met verraste blikken aan. Zij hebben deze hele week niet zoveel over thuis gesproken maar hij ziet nu wel duidelijk dat deze twee flinke knapen hun ouders en familie wel erg gemist moeten hebben. Het was ook geen kleinigheid waar zij in verzeild waren geraakt. Gelukkig mocht hij - Jan Snor - hen begeleiden. Dat was wel heel erg nodig ook, zo is gebleken. Dan gaan zijn gedachten ook naar zijn eigen gezin. Zijn vrouw Marie en de kleine Koos, waar zij zo gelukkig mee zijn. Hoe zal het hen gaan? “Kom op mannen ... laten we naar binnen gaan. We kunnen dan nog even iets drinken en dan verwacht ik mijn vriend ook gauw”. Dit vinden ze allen een goed idee natuurlijk en daar gaan ze.
NOTEN:
1 OG = Ondergrondse
2 Eenden eten verschillende soorten voedsel, waaronder grassen, waterplanten, vissen, insecten, maar ook brood (Wikipedia).
© R. Mol - Frisse Wateren