ONVERANDERLIJK. Wanneer er een onderscheid tussen de levenswandel “naar de Geest” en het gehoorzamen van de wet is - weerspreekt dan de Geest de wet? Dat werpt de vraag op, in hoeverre de geboden van de Sinaï inhoudelijk en moreel precies de maatstaf zijn, die ook voor Christenen gelden, die door de Geest geleid worden.
Er zijn morele principes, die altijd en voor iedereen gelden. Zij komen voort uit de natuur van God en zijn onveranderlijk. Ettelijke geboden die God aan het volk der Joden bij de Sinaï gegeven heeft, drukken zulke morele principes uit. In deze zin citeert Paulus als voorbeeld in Efeze 6 vers 1 het gebod, dat kinderen hun ouders gehoorzamen moeten - “want dat is recht”2. Deze morele principes, die de mensen “van nature” gegeven zijn (Rom. 2:14), zijn de maatstaven van God voor ieder mens, ook voor zulken die niet odner de wet zijn (Rom. 3:19). Men vindt ze ook daarin terug, wat de Christen volgens de nieuwe natuur kenmerkt3. Wanneer wij “naar de Geest” wandelen (Rom. 8:4), zullen we ook de morele eisen van God, die onder andere ook in de wet van de Sinaï uitgedrukt worden, vervullen.
ONDERSCHEID. Niet alle geboden van de Sinaï hebben zo’n onveranderlijke, morele kern. Er zijn ook verschillen: Al de aan het ouders-eren-gebod toegevoegde belofte (“opdat het u wél ga en gij lang leeft op de aarde”) kunnen Christenen van wie de positie van zegen principieel een hemelse en geen aardse is, niet op absolute wijze op zichzelf toepassen - hun levensverwachting hangt van het handelen van God met hen af, niet in de laatste plaats daarvan, wanneer de Heer Jezus komt en hen tot Zich in de heerlijkheid haalt. En we hebben gezien, dat ook niet elk gebod van de Sinaï een letterlijke, algemeen geldende morele betekenis heeft. Geboden als de offerwetten enzovoorts nemen we niet als aanleiding voor een bepaald gedrag, maar ze hebben op zijn hoogst een geestelijke overdrachtelijke betekenis.
AANSPRAAK VAN GOD. Dat betekent: In hoeverre de voorschriften van de Sinaï een blijvende morele aanspraak van God op iedereen uitdrukken, kunnen Christenen alleen in afzonderlijke gevallen bepalen, omdat zij het toenmalige wetsvoorschrift en het voor Christenen geldende onderwijs van het Nieuwe Testament “naast elkander leggen”; beslissend is wat het Nieuwe Testament zegt. Nuttig kan het ook zijn de principes, die God voor andere bedelingen opgesteld heeft, erbij te nemen. Twee voorbeelden:
Mag een Christen doden en echtbreuk plegen?
NOTEN:
1 Men zou misschien ook aan twee andere gezichtspunten kunnen denken: ten eerste is de grondeis van de wet, dat de mens God gehoorzamen moet. Deze eis vervult de Christen, doordat hij naar de Geest wandelt. Ten tweede was het grondprincipe van de wet, dat de zonde met de dood bestraft werd (verg. Rom. 6:23). De Heer Jezus heeft deze in de dood - onze straf - plaatsvervangend op Zich genomen. Hij heeft daarmee de gehele rechtseis van de wet vervuld. Dat wordt ons toegerekend (verg. het verband van Rom. 4 met vers 3, dat God in Zijn Zoon “de zxonde in het vlees veroordeelde”).
2 Iets dergelijks is het in Galaten 5 vers 23 (tegen de vrucht van de Geest“ is geen wet”), in Romeinen 13 vers 8 en volgend, Galaten 5 vers 14 en Jakobus 2 vers 8 (naastenliefde) of in 1 korinthe 13 vers 34 (ordening met betrekking tot man en vrouw). In 1 Korinthe 9 vers 8 en volgend wordt het principe van gerechtigheid geïllustreerd met het principe ‘loon naar werken’: “Spreek ik dit naar de mens, of zegt ook de wet dit niet?”.
3 Een Christen kan ook geen gedragsgeboden uit het Oude Testament herleiden; gebonden is hij alleen door het Nieuwe Testament. Het Oude Testament kan hem echter ter bevestiging en ilustratie van datgene nuttig zijn, wat hem het Nieuwe Testament zegt.
Wordt D.V. vervolgd.
Thorsten Attendorn
Folge mir nach
Vertaling: @ Frisse Wateren - rm