Geliefde broeder en zuster in de Heer,
Allereerst wil ik u graag bedanken voor de lof zeer "Schriftgetrouw" te zijn. Dat is inderdaad dat, waarnaar wij als gelovigen absoluut zouden moeten streven.
Blijkbaar gaat dat ook u zeer ter harte. Dat verheugt ons zeer. Het doet je gewoon goed, wanneer je vaststelt, dat broeders en zusters ernstig naar de waarheid zoeken en, zoals de Bereeërs, "die dagelijks de Schriften onderzochten of deze dingen zo waren" (Handelingen 17:11)!
Als ik nu, op de door u aangesneden vraag te spreken kom, of Noach 120 jaar lang aan de ark bouwde of slechts een korte tijd, dan kan het ook alleen daarom gaan, nauwkeurig te onderzoeken, wat de Bijbel daarover zegt.
Het is geen eenvoudige vraag. En al vele broeders hebben daarover nagedacht. Enkelen zijn tot de conclusie gekomen, dat Noach 120 jaar aan de ark bouwde, anderen - zoals u - dat het slechts enkele tientallen jaren waren.
Om deze gronden heb ik het in mijn artikel vermeden, uitdrukkelijk te zeggen, dat Noach 120 jaar aan de ark gebouwd heeft, maar algemener geformuleerd: "Toen 119 jaar (van de 120-jarige genadetijd) voorbij gegaan waren ...". Toch ben ik tot de slotsom gekomen, dat Noach 120 jaar aan de ark bouwde.
Er is een vers in het Nieuwe Testament die daarover een - zoals ik meen - duidelijke uitspraak doet: "... toen de lankmoedigheid van God bleef afwachten in de dagen van Noach, terwijl de ark gereedgemaakt werd" (1 Petrus 3:20). Dus werd de ark gedurende die tijd gereedgemaakt, toen de lankmoedigheid van God bleef afwachten.
Wanneer of hoelang duurde "lankmoedigheid van God"? Wat wordt daarmee bedoeld? De lankmoedigheid van God kan alleen maar betrekking hebben op de 120 jaar, die God wilde wachten, vóór Hij het oordeel zou uitvoeren. "Toen zei de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens, omdat hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderdtwintig jaren" (Genesis 6:3).
Enkele Bijbelvertalingen geven dit vers weliswaar een andere zin. Zo vertaalt bijvoorbeeld Luther: "Ik wil hem als levensduur geven honderdtwintig jaren", alsof de mensen die vóór de zondvloed zeer oud geworden waren, van nu af slecht nog 120 jaar oud zouden worden. Zeker is de levensduur vanaf deze tijd duidelijk afgenomen en al relatief snel werd er nog nauwelijks iemand 120 jaar oud. Maar waarom moest God al in Genesis 6:3 de levensduur tot 120 jaar beperken, wanneer dat dan toch pas eerst enkele generaties later gebeurt? En waarom juist 120 jaar?
Dit vers wordt pas dan kloppend, wanneer men het zo verstaat, zoals bijvoorbeeld de Elberfelder vertaling [dit is een zeer goede Duitse vertaling - vertaler] naar voren brengt: De dagen van de mensen zouden nu geteld zijn; God wilde de mensen nog een genadetijd van 120 jaar geven; dan zou de lankmoedigheid van God ten einde zijn. Overigens weet God ook vandaag al, wanneer ons tijdperk in het oordeel eindigen zal, ook wanneer Hij dit tijdstip niet geopenbaard heeft en Hij nog met lankmoedigheid wacht (2 Petrus 3:9).
Nu ontstaat de vraag, hoe een 120-jarige genadetijd daarmee overeenstemt, dat Noach aan het einde van Genesis 5 al 500 jaar oud is. Van toen af waren het immers nog nog 100 jaren tot aan de vloed (Genesis 7:6). Het antwoord is heel eenvoudig: Het Bijbels bericht is niet chronologisch. Dat is niet iets dat ongewoon is in de Bijbel. Veel Oudtestamentische geschiedenissen blijven onbegrijpelijk, wanneer men alle verzen en hoofdstukken wat de tijd betreft achter elkaar wil voegen. In ons geval moet de "lankmoedigheid van God" eenvoudig 20 jaar vóór het 500e levensjaar van Noach begonnen zijn, zoals we al gezien hebben.
Men kan Genesis 5:32 alleen zo verstaan, dat Noach met 500 jaar begon, zonen te verwekken. Sem werd pas 98 jaar vóór het einde van de vloed geboren (Genesis 11:10), toen Noach ongeveer 503 jaar oud was (aan het einde van de vloed was hij 601 jaar oud: Genesis 8:13).
Met het zesde hoofdstuk begint een nieuw deel van het boek Genesis. Wat de tijd betreft grijpen de eerste verzen terug in de tijd, toen Noach 480 jaar oud was en God voor de mensen een genadetijd van 120 jaar vaststelde.
Dit hoofdstuk is op de volgende wijze opgebouwd: