11 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (7)

De tijd was nu vervuld. De verlossing was volbracht; God verheerlijkt; Christus aan Zijn rechterhand in de hemel; en nu komt de Heilige Geest op aarde. God wijdt de gemeente in, en Hij doet dit op een wijze, die Zijn eigen wijsheid, macht en heerlijkheid verkondigt. Een verheven wonder wordt gewerkt, een uitwendig teken gegeven.

Deel 1: 32 – 814 n. Christus

De uitstorting van de Heilige Geest

De tijd was nu vervuld. De verlossing was volbracht; God verheerlijkt; Christus aan Zijn rechterhand in de hemel; en nu komt de Heilige Geest op aarde. God wijdt de gemeente in, en Hij doet dit op een wijze, die Zijn eigen wijsheid, macht en heerlijkheid verkondigt. Een verheven wonder wordt gewerkt, een uitwendig teken gegeven. Aldus luidt het verhaal: “En toen de dag van het pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen aan één plaats bijeen. En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een geweldig voortgedreven wind en vulde het hele huis, waar zij zaten. En er vertoonden zich aan hen verdeelde tongen als van vuur en zij zetten zich op ieder van hen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen in andere talen te spreken, zoals de Geest hun gaf uit te spreken” (Handelingen 2:1-4). Laten we hier een weinig bij stilstaan, en een en ander in verband met de werking van de Geest op die belangrijke dag opmerken.

In de eerste plaats werd hier de belofte van de Vader vervuld; de Heilige Geest zelf kwam van de hemel neer. Dit was het grote feit van de pinksterdag. Hij daalde van boven om te blijven in de gemeente, als de woning voor Hem toebereid door de besprenging van het bloed van Jezus Christus. Ook werd het woord van de Heer tot de apostelen verwezenlijkt: “Gij zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na dezen”. Destijds verstonden de discipelen de bedoeling van dit woord nog niet, maar het was nu tot een feit geworden. De volle openbaring van de leer van het éne lichaam wachtte op de bediening van Paulus, die in zijn brief aan die van Korinthe verklaart: “Wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn met één Geest gedrenkt” (1 Korinthe 12:13).

Maar verder, behalve de onderscheiden gaven voor het werk van de Heer verleend, hebben wij iets heerlijks voor elke persoonlijke gelovige, dat tegelijk geheel nieuw was op de aarde. De Heilige Geest Zelf kwam neer om te wonen, niet alleen in de gemeente, maar ook in iedere persoon, die geloofde in de Heer Jezus. En, dank zij de Heer! dit gezegende feit is evenzo waar nu als toen. Hij woont nu in iedere gelovige, die rust op het volbrachte werk van Christus. De Heer had gezegd, ziende op die dag: “… want Hij blijft bij u en zal in u zijn” (Johannes 14:17). Deze twee grote gevolgen vloeiden voort uit de tegenwoordigheid van de Geest op deze aarde van de pinksterdag af. Hij kwam wonen in elke Christen en in de gemeente. En zodoende weten wij dat God niet alleen voor ons, maar bij ons en in ons is.

Toen God “Jezus van Nazareth zalfde met de Heilige Geest en met kracht”, zag Johannes de Geest van God neerdalen als een duif, het liefelijk beeld van de onbevlekte reinheid en van de zachtmoedige nederigheid van Jezus. Hij zou Zijn stem niet verheffen op de straten, noch het gekrookte riet verbreken of de rokende vlaswiek uitblussen. Maar in het geval van de discipelen, die verwachtende waren te Jeruzalem, was het geheel anders. Hij daalde op hen neer onder het beeld van verdeelde tongen als van vuur, die zich op een ieder van hen zette. Dit was eigenaardig. Het was de kracht van God tot getuigen (tongen); een getuigenis, dat uitgaan zou niet alleen tot het geheel Israël, maar tot al de volken van de aarde. Het Woord van God zou ook alles oordelen of beproeven, dat onder zijn bereik kwam, alzo verdeelde tongen als van vuur. Gods oordeel over de mens vanwege de zonde was rechtelijk uitgedrukt in het kruis; en nu zal dit belangrijke feit, door de kracht des Heilige Geest, heinde en ver bekend gemaakt worden. Echter heerst de genade, en zij heerst “door gerechtigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heer” (Romeien 5:21). Vergeving wordt verkondigd aan de schuldigen, behoudenis aan de verlorenen, vrede aan de bekommerden, rust aan de vermoeiden. Allen, die geloven, zijn gezegend en zullen voor eeuwig gezegend zijn in en met de verrezen en verheerlijkte Christus.

De verbazing en ontsteltenis van het Joodse Sanhedrin en volk moeten wel groot geweest zijn over het optreden, in zodanige kracht van de volgelingen van de Gekruisigde. Zij hadden zeker geoordeeld, dat, nu de Meester weg was, de discipelen niets meer konden doen. Grotendeels waren het immers mensen zonder opleiding. En nu vernamen zij, dat deze mensen vrijmoedig spraken over Jezus, en dat duizenden daardoor bekeerd werden. Zelfs als geschiedkundig feit was zo iets allerbelangrijkst, en zonder weerga in de jaarboeken van de tijd.

Jezus was gekruisigd. Zijn aanspraken als zijnde de Messias – zoals in het algemeen gedacht werd – waren bedolven in Zijn graf. De soldaten, die Zijn graf hadden bewaakt, waren omgekocht, opdat zij een vals gerucht aangaande Zijn opstanding zouden verspreiden. De volksbeweging kon geacht worden te zijn voorbijgegaan, en de stad zowel als de tempeldienst hadden haar gewone gang vervolgd, als was er niets bijzonders voorgevallen. Maar aan Gods zijde was het niet de bedoeling, dat alles zo rustig zou voorbijgaan. Hij wist, wanneer het tijd was om de rechten van Zijn Zoon te doen gelden, en ze te doen gelden op dezelfde plaats, waar Deze was vernederd. Die tijd was de pinkstermorgen. Plotseling en onverwacht verschenen Zijn verstrooide aanhangers weer, toegerust met onmiskenbare wondermacht. Zij beschuldigden vrijmoedig de overheden en het volk over de gevangenneming, terechtstelling en kruisiging, verkondigende dat zij hun eigen Messias hadden gedood, maar dat God Hem had opgewekt en tot een Vorst en Behouder gesteld, Hem plaats gevende aan Zijn eigen rechterhand in de hemel. “Waar de zonde toenam, daar is de genade meer dan overvloedig geworden” (Romeinen 5:20).

Het vonnis over Babel was op die wondervolle dag als het ware omgekeerd. In de verschillende talen, die als oordeel over de mens gebracht waren, als gevolg van Gods ongenoegen, werd nu behoudenis verkondigd. Dit machtig wonderwerk van God doet de menigte tezamen komen. In verbaasdheid zegt ieder zijn mening over dit vreemd verschijnsel. Een ieder hoort in de taal van zijn eigen landstreek van de lippen van deze arme Galileërs de grote werken van God verkondigen. De Joden van Jeruzalem, die deze vreemde talen niet verstonden, spotten. Daar staat Petrus op, en verklaarde hun in hun eigen taal – en met aanhaling van hun eigen schriften -, het ware karakter van hetgeen plaats had gevonden.

Petrus eerste toespraak tot de Joden

“Maar Petrus stond op met de elven, verhief zijn stem en sprak tot hen: “Gij Joodse mannen en gij allen die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend en leent het oor aan mijn woorden. Want dezen zijn niet dronken, zoals gij veronderstelt; want het is het derde uur van de dag”. Volgens onze rekening ‘s morgens negen uur, het uur van het gebed in de tempel. Petrus gaat dan voort om aan de Joden te verklaren, dat de wondervolle dingen, die zij deze morgen gezien en gehoord hadden, niet het gevolg waren van opwinding, maar veeleer hetgeen zij, volgens hun eigen profetische schriften, zelf hadden moeten verwachten. “Dit is het, wat gesproken is door de profeet Joël” (Handelingen 2:14-16). Let op de grond, waarop Petrus staat en predikt met zoveel vrijmoedigheid. Die grond is de opstanding en verheerlijking van Christus. Dit behoort zorgvuldig te worden opgetekend, omdat er door bewezen wordt, waarop de gemeente gebouwd is, en waar en wanneer haar geschiedenis begint. Dit was de eerste dag van haar bestaan, de eerste bladzijde van haar geschiedenis, en de eerste triomf van Gods onuitsprekelijke gave aan de mens. “Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. Nu Hij dan door de rechterhand van God verhoogd is en de belofte van de Heilige Geest van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, wat gij ziet en hoort. Want David is niet opgevaren naar de hemelen; maar hij zegt zelf: ‘De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet heb tot een voetbank voor Uw voeten’. Het hele huis van Israël wete zeker, dat God Hem zowel tot Heer als tot Christus gemaakt heeft: deze Jezus, die gij gekruisigd hebt” (Handelingen 2:32-36).

Wij willen hier de woorden van een ander laten spreken over de heerlijke uitwerkingen van Petrus’ eerste prediking en van de tegenwoordigheid van de Heilige Geest op de aarde.

Het was niet slechts een zedelijke omkeer, maar een kracht, die al de persoonlijke beweeggronden bij hen, die deze kracht ontvangen hadden, terzijde stelde, zodat zij als één ziel en één van gezindheid waren. “Zij volhardden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in de breking van het brood en in de gebeden” (zie Handelingen 2:42). Het bewustzijn van van de tegenwoordigheid van God was krachtig onder hen, en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. Zij waren verenigd met de nauwste banden; niemand zei dat iets van wat hij had zijn eigen was, maar zij deelden hun bezitting met hen, die behoeftig waren. Zij waren dagelijks in de tempel, de openbare verzamelplaats van Israël voor godsdienstige verrichtingen, terwijl zij hun eigen verenigingsplaats hadden, “… braken brood in de huizen en aten samen met vreugde en eenvoud van hart en zij prezen God en hadden gunst bij het hele volk” Handelingen 2:46-47). Zo was het begin van de gemeente, en de Heer voegde dagelijks bij haar (de gemeente) het overblijfsel van Israël, dat behouden moest worden van de oordelen, die neer zouden komen op dat volk, dat de Zoon van God, hun Messias, verworpen had. God bracht binnen de gemeente, door Hem erkend als de woning van de Heilige Geest, hen, die Hij spaarde in Israël. Een nieuwe orde van zaken was begonnen, gekenmerkt door de tegenwoordigheid van de Heilige Geest. Hier was de woonplaats van God, alhoewel de oude toestand bleef bestaan tot aan de uitvoering van het oordeel.

De gemeente werd dus gevormd door de kracht van de Geest, neergekomen van de hemel, op het getuigenis dat Jezus, die was verworpen geworden, in de hemel was verheerlijkt, door God gemaakt tot een Heer en Christus. Zij was samengesteld uit het Joodse overblijfsel, dat behouden moest worden, met het voorbehoud, dat de heidenen zouden worden ingebracht, wanneer het God behagen zou hen te roepen.

Dit is alzo de gemeente van God: een tezamenvergadering van hen, die God had geroepen tot de naam van de Heer Jezus, en door de Heilige Geest. Liefde heerst in de pas gevormde gemeente, en kenmerkt haar. De machtige overwinningen, die de genade behaalde op die gedenkwaardige dag, bewezen ten volle de kracht van de verheerlijkte Heer in de hemel, en de tegenwoordigheid van de Geest op de aarde. Drieduizend zielen werden door één prediking bekeerd. Die de erkende vijanden van de Heer geweest waren, en deel hadden gehad in Zijn terdoodbrenging, kwamen in grote benauwdheid onder de machtige werking van Petrus’ woord. Tot onrust gebracht door de vreselijke gedachte van hun eigen Messias vermoord te hebben, en dat God, in Wiens tegenwoordigheid zij nu waren, Hem aan Zijn eigen rechterhand had verhoogd in de hemel, riepen zij uit: “Wat zullen wij doen, mannen broeders?” (Handelingen 2:37). De Heer had in zekere zin de scepter van Zijn sterkte gezonden uit Sion; Hij heerste in het midden van Zijn vijanden, en Zijn volk was zeer gewillig op de dag van Zijn heerkracht (zie Psalm 110:1-3)

Petrus zoekt nu het goede werk in hun zielen nog dieper te doen worden, en de eens zo trotse en honende Joden tot verootmoediging te brengen. “Bekeert u”, zo spreekt hij, “en een ieder van u late zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden, en gij zult de gave van de Heilige Geest ontvangen” (Handelingen 2:38). Hij zegt maar niet eenvoudig: gelooft in de Heer Jezus Christus, en gij zult behouden worden, hoewel geloof en bekering natuurlijk tezamen moeten gaan, zal het een echt werk zijn. Maar Petrus benadrukt in dit geval de bekering. Hun schuld was groot geweest, en een diep zedelijk werk in hun geweten was noodzakelijk tot hun verootmoediging. Zij moesten zien, hoe groot hun schuld was voor God, en de vergeving van hun zonden ontvangen aan de voeten van Hem, Die zij verworpen en gekruisigd hadden. Nochtans was alles genade. Hun harten werden getroffen. Zij kozen de partij met God tegen zichzelf, zij bekeerden zich oprecht, ontvingen vergeving, en ontvingen de gave van de Heilige Geest. Nu waren zij Gods kinderen, hadden het eeuwige leven, en de Heilige Geest woonde in hen. De wezenlijkheid van de omkeer bewees zich in een volslagen verandering van aard. “Zij dan, die zijn woord aannamen, lieten zich dopen [werden gedoopt]; en er werden op die dag ongeveer drieduizend zielen toegevoegd. En zij bleven volharden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in de breking van het brood en in de gebeden” (Handelingen 2:41-42).

De doop op de belijdenis van het geloof; opname in de gemeente; het houden van het avondmaal; de gemeenschap van de heiligen en het gebed waren de regels, die onder hen golden. Voor het ogenblik was het gebed van de Heer: “opdat zij allen één zijn”, vervuld, gelijk wij lezen in hoofdstuk 4: “En de menigte van hen die geloofden, was één van hart en één van ziel; en niemand zei dat iets van wat hij had zijn eigen was, maar zij hadden alle dingen gemeenschappelijk” (Handelingen 4:32).

Vanwege het verband willen wij nu Handelingen 10 opslaan.

Het inbrengen van de heidenen

Cornelius, de hoofdman over honderd, die God vreesde met heel zijn huis, wordt hier in de gemeente van God opgenomen. Petrus had de roeping van de heidenen reeds in zijn eerste toespraak vermeld. Hij wordt nu door God op een bijzondere wijze, en met bepaalde aanwijzingen van der goddelijke bedoeling, opgeroepen om de deur te openen voor deze godvrezende heidenen. Tot op die tijd bestond de gemeente hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend, uit Joden. Doch God handelde zacht met Zijn oude volk, hun nationale vooroordelen in aanmerking nemende. Cornelius deed vele aalmoezen aan het volk, en bad gedurig tot God. Persoonlijke weerzin om zo iemand te ontvangen kon er niet zijn. God is genadig, barmhartig en van grote goedertierenheid. Doch God wilde in Petrus’ hart geen enkele twijfel laten overblijven aangaande Zijn uitdrukkelijke wil. Daarom bracht God de bezwaren van Petrus tot zwijgen, en overwon zijn aarzeling met het zachte verwijt: “Wat God gereinigd heeft, zult gij niet voor onheilig houden” (vers 15).

Nu zal Petrus handelen; maar hij moet wel getroffen worden door de omstandigheid, dat de heidenen zouden ingebracht worden zonder eerst Joden te worden, of zich aan enige Joodse inzetting te onderwerpen. Dit was voor Petrus, voor de heidenen en op zichzelf een verbazende stap. Door dit feit straalt een stroom van licht over de aard van de tegenwoordige bedeling. “En Petrus opende zijn mond en zei: Ik bemerk in waarheid dat God geen aanzien des persoons is; maar dat in ieder volk, wie Hem vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam is” (vers 34-35). Het was nu duidelijk, dat het niet meer nodig was een Jood te worden, of zich te onderwerpen aan uitwendige gebruiken en plechtigheden, ten einde de rijkste, hemelse zegeningen deelachtig te worden. Zonder de oplegging van de handen van een apostel – alhoewel Petrus zelf met goddelijk gezag tegenwoordig was – en alvorens nog gedoopt te zijn met water, werden zij gedoopt met de Heilige Geest. Terwijl het woord van God van Petrus’ lippen kwam, viel de Heilige Geest van boven op allen, die het woord hoorden. Vóór alle dingen echter had, door de genade van God, een ander gezegend werk in de harten plaats gevonden, waardoor in die harten het leven te voorschijn geroepen was.

De levendmakende werking van de Geest is geheel onderscheiden van het verzegeld worden met de Geest. Voordat de Heilige Geest kan verzegelen, moet er iets zijn om te verzegelen. Onze oude natuur kan de Heilige Geest niet verzegelen; de nieuwe natuur behoort eerst aanwezig te zijn, zodat er een ogenblik in de geschiedenis van iedere Christen zijn moet, waarop hij is levend gemaakt en nog niet verzegeld. Na kortere of langere tijd wordt echter het werk voltooid (Efeze 1:13). Bijvoorbeeld de verloren zoon was levend gemaakt of bekeerd, toen hij het verre land verliet; maar hij kende toen nog niet de liefde en genade van de Vader, en had daarom nog niet het geloof, dat in Hem, als de Bron van alle zegen, zijn rustpunt heeft gevonden. Hoewel levend gemaakt, was hij toch wettisch. Niet voor hij verzegeld was, en tot rust gebracht aangaande zijn vergeving en aanneming, dan toen hij de kus van de verzoening, of, zo men wil, de ring ontvangen had. Het bijbels begrip van “geloven” omvat meer dan bezorgdheid over de ziel, hoe diep deze ook ga. Godonterend ongeloof kan voor een tijd gepaard gaan met een echt werk van Gods Geest in de ziel. De verloren zoon had een zeker vertrouwen, dat er iets goeds in het hart van zijn Vader was, waarom hij het waagt tot hem te gaan. Doch dit is nog ver beneden het schriftuurlijk begrip van “geloof”. “Wie zijn getuigenis heeft aangenomen, heeft bezegeld dat God waarachtig is” (Johannes 3:33). Dit is geloof; en waar dit geloof is, daar is het zegel van God. Paulus zelf was minstens drie dagen in de diepste zielsbewegingen zonder de kalme vrede, die de verzegeling met de Heilige Geest vergezelt. “En hij kon drie dagen niet zien, en hij at niet en dronk niet” (Handelingen 9:9). Maar wij keren tot de hoofdzaak, die voor ons ligt, terug.

Wordt D.V. vervolgd.

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes

In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol