11 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (6)

Het eerste joodse pinksterfeest, dat op Jezus’ hemelvaart volgde, kan de geboortedag van de gemeente worden genoemd. Vijftig dagen na de opstanding van de Heer begon haar geschiedenis. De gelovigen, die vóór Jezus’ komst leefden, maken geen deel uit van de gemeente, die pas feitelijk ontstond op de Pinksterdag. Alle gelovigen, van het begin af, hebben hetzelfde eeuwige leven, zij zijn kinderen van dezelfde God en Vader, en dezelfde hemel zal hun eeuwige verblijfplaats zijn; maar de oudtestamentische gelovigen behoren tot een andere bedeling, tot een van de verschillende bedelingen, die vóór Christus’ komst bestonden.

De Pinksterdag

Het eerste joodse pinksterfeest, dat op Jezus’ hemelvaart volgde, kan de geboortedag van de gemeente worden genoemd. Vijftig dagen na de opstanding van de Heer begon haar geschiedenis. De gelovigen, die vóór Jezus’ komst leefden, maken geen deel uit van de gemeente, die pas feitelijk ontstond op de Pinksterdag.

Alle gelovigen, van het begin af, hebben hetzelfde eeuwige leven, zij zijn kinderen van dezelfde God en Vader, en dezelfde hemel zal hun eeuwige verblijfplaats zijn; maar de oudtestamentische gelovigen behoren tot een andere bedeling, tot een van de verschillende bedelingen, die vóór Christus’ komst bestonden. Elke bedeling heeft haar eigen aanvang, ontwikkeling, vermindering en val, in de Schrift vermeld; en het onderscheid tussen verschillende bedelingen moet, evenzeer als die van verschillende personen, vastgehouden worden, daar zij zelfs in de hemel niet opgeheven wordt. Daarom zegt de apostel in Hebreeën 11, sprekende over de heiligen van de oude dag: “En deze allen, die door het geloof getuigenis verkregen hebben, hebben niet ontvangen wat beloofd was, omdat God voor ons iets beters had voorzien, opdat zij niet zonder ons tot volmaaktheid zouden komen” (vers 39). ‘Omdat God voor ons IETS BETERS had voorzien’, dan moet dit toch iets anders zijn. Laten we niet tegen Gods Woord strijden. Bovendien zegt onze Heer in Mattheüs 16:18: “Op deze rots zal ik Mijn gemeente bouwen”. Terzelfder tijd geeft Hij aan Petrus de sleutels om het koninkrijk te openen. Dus de Heer had Zijn gemeente nog niet gebouwd, en de deuren van de nieuwe bedeling waren nog niet geopend. Maar het verschil tussen het oude en het nieuwe zal duidelijk aan het licht komen, wanneer wij de grote feiten van de Pinksterdag beschouwen. Wij beginnen met de typen van Levitikus 23.

De kinderen van Israël werd geboden een garf van de eerstelingen van hun oogst tot de priester te brengen, opdat hij die bewegen zou voor de Heer, om voor hen te worden aangenomen. Deze instelling was, naar wij geloven, een voorafschaduwing van de opstanding van de Heer op de morgen na de joodse sabbat, en van de aanname van de Christen voor God in de Opgestane.

Zeven volle weken na het bewegen van de garf werd het pinksterfeest gevierd. Het bewegen van de garf werd gerekend plaats te hebben op de eerste oogstdag in Judea; het pinksterfeest wees op de tijd van de volle oogst. Dan vierden zij een plechtig dankfeest voor het binnenhalen van de oogst. Twee broden – gebakken van het meel van de nieuwe oogst, en met zuurdeeg gemengd – moesten uit hun woningen gebracht worden. Sommigen hebben in de twee broden een toespeling gezien op de joden en de heidenen, uit wie de gemeente tezamen gebracht wordt. Hoe dit ook zij, het getal is niet zonder betekenis. Twee getuigen waren nodig voor een bevestiging in Israël. Het zuurdeeg herinnert zonder twijfel aan de zonde, die in de gelovige woont.

Tegelijk met de garf van de eerstelingen – type van de opgestane Christus, die rein is en heilig – werden offeranden tot een liefelijke reuk, doch geen zondoffer gebracht. Tegelijk met de twee broden – type van hen, die van Christus zijn – werd wel een zondoffèr gebracht. Omdat de zonde in de gelovige voorhanden is, was een zondoffer nodig om die te bedekken. Hoewel de éne, volmaakte offerande van Christus voor God voldoende was, zowel voor de zondige natuur als voor de zondige daden, nochtans woont feitelijk de zonde nog in ons al de tijd, die wij in deze wereld zijn. Ieder erkent dit, ofschoon niet ieder de volmaaktheid van Christus’ werk inziet. De Christen is door één offerande voor altijd volmaakt, hoewel hij zich te verootmoedigen heeft voor God over elke fout, die hij begaat.

De typische betekenis van Pinksteren werd opmerkelijk vervuld in de uitstorting van de Heilige Geest. Hij kwam op aarde “om de verstrooide kinderen van God tot één te vergaderen” (Johannes 11:52). Door deze gebeurtenis werd het jodendom terzijde gesteld, en de gemeente van God ingevoerd. Let nu op de volgorde van de gebeurtenissen. Eerst

De opstanding en hemelvaart van Christus

De menswording, de kruisiging en de opstanding zijn de grote grondwaarheden of feiten van het Christendom. De menswording was nodig voor de kruisiging; en beiden moesten voorafgaan aan de opstanding. Het is een gezegende waarheid, dat Christus stierf aan het kruis voor onze zonden; maar het is evenzeer waar, dat de gelovige stierf in Zijn dood (zie Romeinen 6; Kolosse 2). Het leven van de Christen is het opstandingsleven. De menswording en kruisiging zijn heerlijke feiten, maar de gemeente is verenigd met de opgestane en verheerlijkte Christus. In Handelingen 1 hebben wij hetgeen in verband staat met de opstanding en hemelvaart van de Heer, zowel als hetgeen de apostelen verrichtten vóór de uitstorting van de Heilige Geest. De gezegende Heer, ook als de Opgestane, spreekt en handelt nog steeds “door de Heilige Geest”. Het was door de Heilige Geest (vers 2), dat Hij aan de apostelen, die Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven. Dit is opmerkenswaard, en leert ons twee dingen:

  1. De aard van onze eenheid met Christus; de Heilige Geest in de Christen en in de verrezen Heer verbindt hen tot één. “Die de Heer aanhangt, is één geest met hem” (1 Korinthe 6:17). Door de éne Geest zijn zij tezamen verbonden.
  2. Dit belangrijke feit wijst op de gezegende waarheid, dat de Heilige Geest woont en werkt in de Christen, ook nadat hij werkelijk opgestaan is.

Dan zal de Geest niet, zoals nu nog, te strijden hebben tegen het vlees in ons, maar zonder bedroefd of belemmerd te worden, zal Hij ons inleiden in de volheid van de hemelse genietingen, de gelukkige aanbidding van God. De verrezen Heer beval daarom de apostelen zich niet van Jeruzalem te verwijderen, “maar de belofte van de Vader te verwachten, die gij, zei Hij, van Mij gehoord hebt” (Handelingen 1:4). Er is niet meer sprake van tijdelijke beloften aan Israël, deze zullen in de toekomst vervuld worden. De belofte van de Vader was totaal iets anders met geheel verschillende uitwerkingen.

Nadat tussen de Heer en Zijn apostelen over vele dingen, “die het koninkrijk van God betreffen”, gesproken was, vaart Hij ten hemel, en een wolk neemt Hem weg voor hun ogen. De wederkomst van de Heer wordt terzelfder tijd op de duidelijkste wijze geleerd: “Deze Jezus, zeggen de engelen, die van u opgenomen is in de hemel, zal zó komen, op dezelfde wijze als gij Hem naar de hemel hebt zien heengaan” (Handelingen 1:11). Er blijkt duidelijk uit deze woorden, dat Hij persoonlijk, zichtbaar, lichamelijk ten hemel voer, en dat Hij op dezelfde wijze wederkomen zal. Nog eenmaal zal Hij verschijnen en openbaar worden aan deze aarde persoonlijk, zichtbaar en lichamelijk; maar dan zal het in kracht en grote heerlijkheid zijn. De apostelen en discipelen hadden nu twee dingen geleerd:

  1. Dat Jezus van deze aarde opgenomen was in de hemel;
  2. dat Hij weer op deze aarde zou terugkomen.

Op deze twee grote feiten was hun getuigenis gegrond. Jeruzalem moest het uitgangspunt van hun arbeid zijn, waar zij wachten moesten op de kracht van boven. Nu komen wij tot de tweede grote, gebeurtenis, boven alles belangrijk, de “gave van de Heilige Geest”. Door deze gave is niet alleen God voor ons, maar ook God in ons.

Wordt D.V. vervolgd.

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes

In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

 

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol