11 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (5)

Kan de regel van bestuur nog in onze tijd toegepast worden? Het antwoord daarop vinden we in de Bijbel. Als we het volgende willen beamen, zal dit juist in onze tijd van grote betekenis zijn – en vooral tot eer van de Heer. Wat dan? Het volgende: “wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheidâ€? (2 Korinthe 13:8). Als dat de intentie is van ons als Christenen, gebeuren er vandaag nog grote dingen in de gemeente van God op aarde en Zijn zegen zal duidelijk te bespeuren zijn, persoonlijk en gemeenschappelijk!

Deze regel van bestuur in de gemeente is nog altijd van toepassing

Hoe kan deze regel in onze tijd toegepast worden? Zo is de vraag dikwijls, waarop men geen antwoord heeft. Wel, wij hebben eenvoudig terug te keren tot het Woord van God. Wij dienen in staat en gewillig te zijn om te verklaren: “wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid” (2 Korinthe 13:8).

Het gezag en de macht tot bestuur, waarvan wij spraken, was niet alleen aan Petrus en de andere apostelen gegeven, maar ook aan de gemeente. In Mattheüs 18 wordt het beginsel nader uitgewerkt, dat neergelegd was in Mattheüs 16: “Zeg het aan de gemeente; en als hij ook naar de gemeente niet wil horen, dan zij hij u als de heiden en de tollenaar. Voorwaar, Ik zeg u: Alles wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden zijn; en alles wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden zijn … Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam, daar ben Ik in het midden van hen” (vers 17-18, 20). Hier zien wij, dat de handelingen van twee of drie, vergaderd in de naam van Christus, dezelfde goddelijke erkenning hebben als het bestuur van Petrus. En ook in Johannes 20 geeft de Heer dezelfde regel van bestuur aan de “discipelen” (niet slechts aan de “apostelen”), nadat Hij is opgestaan, en de vergaderden in levensgemeenschap gebracht waren (zie vs. 22) met Christus, als de Opgestane. Dit is van het grootste belang. De Geest des levens in Christus Jezus maakt de discipelen vrij – maakt elke discipel vrij – van de wet van de zonde en van de dood (Romeinen 8). De gemeente is gebouwd op “deze rots,” de opgestane Christus, en de poorten van de hades zullen haar niet overweldigen. “Toen het dan avond was op die eerste dag van de week, en de deuren waar de discipelen zich bevonden uit vrees voor de Joden gesloten waren, kwam Jezus en stond in het midden en zei tot hen: Vrede zij u! En nadat Hij dit gezegd had, toonde hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan verblijdden zich toen zij de Heer zagen. Jezus dan zei nogmaals tot hen: Vrede zij U! Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. En toen Hij dit gezegd had, blies hij in hen en zei tot hen: Ontvangt [de] Heilige Geest! Als gij iemands zonden vergeeft, zijn zij hem vergeven; als gij iemands zonden houdt, zijn zij hem gehouden” (Johannes 20:19-23). Hier doet de Heer, zo zouden wij kunnen zeggen, de nieuwe schepping een aanvang nemen. De discipelen worden vervuld en bekleed met vrede en met de Geest van het leven in Christus Jezus. Zij hebben nu heen te gaan als Zijn boodschappers, als ook zelf opgestaan uit het graf, waaruit Jezus eerst verrees, dragende de blijde tijding van vrede en eeuwig leven in een wereld, die gebukt gaat onder de last van zonde, droefheid en dood. De regel van hun eigen, inwendig bestuur is dus duidelijk aangegeven; en de behoorlijke toepassing daarvan zal altijd aan de christelijke gemeente een onderscheiden en hemels karakter geven, voor God zowel als voor mensen.

De regel van aanneming in het begin

Op de pinksterdag en tot kort daarna blijkt niet, dat de pasbekeerden onderworpen werden aan enig onderzoek naar de wezenlijkheid van hun geloof door de apostelen of door anderen. “Zij dan, die zijn woord aannamen, lieten zich dopen; en er werden op die dag ongeveer drieduizend zielen toegevoegd” (Handelingen 2:41). De aanneming van het Woord was de toelatingsgrond tot de doop en tot de gemeenschap; doch het werk was toen geheel in Christus’ eigen handen. “En de Heer voegde dagelijks bij de gemeente, die behouden moesten worden” (Handelingen 2:47). De poging tot het bedriegen van de apostelen door Ananias en Saffira werd onmiddellijk aan het licht gebracht. De Heilige Geest was daar in ongekrenkte heerlijkheid en kracht, en Petrus onderscheidt dit. Hierom zegt hij tot Ananias: “Waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij tegen de Heilige Geest liegen zoudt?” (Handelingen 5:3). Deze zuivere toestand ging echter spoedig voorbij. Verkeerde dingen drongen binnen. De Heilige Geest werd bedroefd en het werd noodzakelijk bij hen, die zich aanmeldden, te onderzoeken of hun beweeggronden, bedoelingen en zielstoestand in overeenstemming met Christus waren. Zo ontstond de stand van zaken, beschreven in 2 Timotheüs 2. Naar de aanwijzing, dáár gegeven, hebben wij alle goede dingen na te jagen “met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart!” (vers 22).

Nadat de gemeente dezulken in haar midden had, die alleen uitwendig het Christendom hadden omhelsd, was er grote zorgvuldigheid nodig bij het toelaten van personen tot de gemeenschap. Het was niet genoeg, dat iemand zei bekeerd te zijn, en toelating vroeg op grond van zijn eigen verklaring; hij moest door ervaren Christenen worden onderzocht. Wanneer iemand belijdt zijn zonde te hebben ingezien, bekeerd te zijn tot God, en te geloven in de Heer Jezus Christus, dan moet zijn belijdenis beproefd worden door hen, die dezelfde weg hebben doorgemaakt. En zelfs waar men aan de bekering mag geloven, behoort nauwkeurigheid met liefde verenigd in acht genomen te worden bij het toelaten, daar soms onbewust iets onterends voor Christus – nadelig voor de personen zelf en tot schade voor de vergadering – aanwezig kan zijn. Hier komt geestelijke onderscheid aan te pas. Tevens is het oprecht tegenover degene, die aanzoek doet, en noodzakelijke waakzaamheid voor de eer van Christus en de reinheid van Zijn tafel. Het zou met de Christelijke gemeenschap gedaan zijn, indien iemand toegelaten werd op grond van niets anders dan zijn eigen persoonlijk gevoelen over zichzelf.

In Handelingen zien wij tegenover de grote apostel Paulus zelf het bovengenoemde beginsel toegepast. En zeker, als Paulus niet erkend werd zonder voldoend getuigenis, wie zou dan recht hebben tot klagen, indien men omtrent hemzelf gelijke voorzorg neemt? Wel was zijn toestand van een bijzonderen aard; doch niettemin ligt er een praktische toelichting van de regel zelf in opgesloten.

Zowel Ananias te Damaskus als de gemeente te Jeruzalem onderzoeken naar Saulus’ bekering, al was zij ook met wondertekenen vergezeld geweest. In openlijke vijandschap had hij gewoed tegen de naam van Christus, en dit maakte natuurlijk de discipelen nog behoedzamer. Ananias aarzelt hem te dopen, tot hij ten volle gerustgesteld is omtrent zijn bekering. Hij raadpleegt de Heer over de zaak. Maar op het woord van Hem gaat hij ook onmiddellijk naar Saulus, verwittigt hem, dat hij gezonden is door dezelfde Jezus, die aan Saulus op de weg naar Damaskus verschenen was en bevestigt de waarheid van het voorgevallene. Saulus wordt grotelijks bemoedigd, ontvangt zijn gezicht terug en wordt gedoopt.

Wat de gemeente te Jeruzalem aangaat, lezen wij: “En te Jeruzalem gekomen, trachtte hij zich bij de discipelen te voegen; en zij vreesden allen voor hem, daar zij niet geloofden, dat hij een discipel was. Maar Barnabas nam hem mee en bracht hem bij de apostelen en verhaalde hun, hoe hij onderweg de Heer had gezien, en dat Deze tot hem gesproken had en hoe hij te Damaskus vrijmoedig gesproken had in de naam van Jezus” (Handelingen 9:26-28). Paulus is een voorbeeld voor de gemeente in vele opzichten, ook in dit opzicht. Hij wordt ontvangen in de gemeente – evenals met allen die dit verzoeken, behoort te geschieden – op grond van een voldoend getuigenis aangaande de echtheid van zijn Christendom. Hoogstwaarschijnlijk had de gemeente te Jeruzalem van zulk een belangrijk feit, zoals van Saulus bekend geworden moet zijn, kennis gekregen. Niettemin nemen zij hem niet op, dan na de verklaring van een onwraakbaar getuige. Hoewel de grootste zorgvuldigheid in acht moet worden genomen ter ontdekking van Simon (zie Handelingen 8), zo dient niet minder alle zachtmoedigheid en lankmoedigheid gebruikt te worden met de schroomvalligen en zwakken. Toch moet naar leven in Christus en een daarmee overeenstemmende wandel onderzocht worden (Romeinen 14; 15; 1 Korinthe 5 en 2 Korinthe 2). Het gebruik van brieven, om personen van andere plaatsen als erkende broeders te wettigen, vinden wij vermeld in 1 Korinthe 16:3 en 2 Korinthe 3:1. Het pad van de gemeente is altijd een smal pad.

Het pausdom heeft zijn innerlijke verdorvenheid bewezen in het misbruik, dat het gemaakt heeft van het recht van de gemeente om zonde te ‘houden’ of te ‘vergeven’. Hieruit zijn al de gruwelen van de priesterlijke absolutie en van de pauselijke aflaten voortgekomen. Het protestantisme is in het andere uiterste vervallen – waarschijnlijk uit vrees van ook maar enigszins op het pausdom te lijken – en heeft nagenoeg geheel de tucht terzijde gesteld. De weg van het geloof is het opvolgen van de voorschriften uit het Woord van de Heer.

De beginselen, die ten grondslag liggen, zowel aan de gemeente als aan het koninkrijk, alzo beschouwd hebbende, komen wij bij de pinksterdag, het begin van de geschiedenis van de gemeente op aarde. Als wij de beginselen niet onderscheiden hebben, kunnen wij de geschiedenis niet verstaan.

Wordt D.V. vervolgd.

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes

In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

 

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol