7 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (45)

 Deel 1: 32-814 n. Christus

HET CONCILIE VAN NICEA

Hoofdstuk 11 – vervolg

Opmerkingen over de hoofdgebeurtenissen gedurende de regering van  Constantijn

Voordat wij onze algemene geschiedenis vervolgen, kan het goed zijn een ogenblik stil te staan, om de invloed van de grote veranderingen te overwegen, die plaats hadden gevonden, zowel in de positie, die de kerk als die de wereld in begon te nemen gedurende de regering van Constantijn de Grote. Het is niet te veel gezegd, als wij beweren, dat de kerk haar belangrijkste crisis doormaakte; en dat de val van de afgodendienst voor het ene gedeelte kan beschouwd worden als een van de belangrijkste feiten in de ganse wereldgeschiedenis.

Vanaf de tijd kort na de zondvloed had de afgoderij onder alle volken van de aarde de overhand, en satan was door zijn listen het voorwerp van aanbidding geworden. Maar het gehele stelsel van afgoderij werd door Constantijn over het Romeinse wereldgebied veroordeeld, zo niet totaal omver gestoten; in elk geval had het zijn dodelijke wonde gekregen.

De kerk verloor, ongetwijfeld, veel door haar vereniging met de staat. Zij bestond niet meer als een afzonderlijke gemeenschap, en werd niet langer uitsluitend door de wil van Christus bestuurd. Zij had haar onafhankelijkheid prijs gegeven, haar hemels karakter ingeboet, en werd onafscheidbaar vereenzelvigd met de hartstochten en de belangen van de regerende machten. Dit alles was uiterst droevig en de vrucht van haar eigen ongeloof. maar anderzijds won de wereld ongelofelijk veel bij de veranderde toestand. Dit moet niet voorbijgezien worden, waar wij het verval van de gemeente betreuren. De kruisbanier werd nu verheven over het gehele rijk. Christus werd openlijk uitgeroepen als de enige Behouder van de mensen; en de heilige schrift erkend als het Woord van God en de enige veilige en zekere gids tot het eeuwig geluk. De naamchristenen stonden ongetwijfeld op een lage, ongeestelijke trap, reeds voor zij met de wereld verenigd werden, zodat zij meer dachten aan hun eigen gemak dan aan hun zending om anderen ten zegen te zijn. Niettemin kon God deze nieuwe gelegenheid gebruiken, om de vreselijke gruwelen van de afgoderij te doen verdwijnen van het toneel van het Romeinse gebied.

De algemene wetgeving van Constantijn draagt blijken van de stille doorwerking van de christelijke beginselen; en de uitwerking van deze menslievende wetten zou gevoeld worden ver buiten de onmiddellijke omtrek van de christelijke gemeenschap. Hij gaf wetten ter betere onderhouding van de zondag; tegen het verkopen van kinderen tot slaven, iets algemeens onder de heidenen; ook tegen het stelen van kinderen met het doel om die te verkopen. Menige andere wet van maatschappelijke of zedelijke aard werd door hem nog uitgevaardigd. Maar de éne grote, invloedrijke gebeurtenis van zijn regering, die zo rijk aan belangrijke feiten was, bestond in het neerwerpen van de afgoden en het verheffen van Christus. Men zegt, dat gedurende zijn regering Ethiopiërs en de Iberiërs tot het Christendom werden bekeerd.

De zonen van Constantijn

337-361

Constantijn de Grote werd opgevolgd door zijn drie zonen: Constantijn, Constantius en Constans. Zij waren opgevoed in het geloof van het evangelie, en door hun vader tot onderkeizers benoemd. Bij zijn dood verdeelden zij het rijk onder elkander. Constantijn verkreeg Gallië, Brittannië en Spanje; Constantius de Aziatische gewesten met de hoofdstad Constantinopel; en Constans behield Italië en Afrika. De aanvang van de nieuwe regering werd gekenmerkt – naar de gewoonte van die tijden – door het vermoorden van die bloedverwanten, welke als mededingers naar de troon eenmaal zouden kunnen optreden; maar tegelijk met de gewone staatkundige ijverzucht en vijandelijkheid, vertoonde zich een nieuw beginsel van twist, namelijk de godsdienststrijd.

De oudste zoon, Constantijn, was de Katholieken genegen, en tekende de aanvang van zijn regering door het terugroepen van Athanasius, die hij zijn bisschopszetel van Alexandrië teruggaf. Maar Constantijn werd in 340 bij een inval in Italië gedood, en Constans nam bezit van het gebied van zijn broeder, waardoor hij de heerser werd van twee-derde gedeelte van het gehele Romeinse rijk. Hij was gunstig gestemd jegens de beslissingen van het concilie van Nicea, en stond met beslistheid de zaak van Athanasius voor. Constantius, zijn gemalin en zijn hof waren gedeeltelijk voor het Arianisme. Zodoende ontwikkelde zich een godsdienstoorlog tussen de twee broers – tussen het Oosten en het Westen – die gevoerd werd zonder rechtvaardigheid en menselijkheid, en veelmeer nog tegen de vreedzame geest van het Christendom. Constantius, net als zijn vader, kwam menigmaal in de zaken van de kerk tussenbeide; hij gaf zich uit voor een godgeleerde; en zolang hij regeerde, werd het rijk onophoudelijk in beroering gebracht door godsdiensttwisten. De concilies werden zo menigvuldig, dat de publieke postvervoermiddelen gestadig in beslag genomen waren voor de onophoudelijke reizen van de bisschoppen. Van beide kanten werden concilies bijeengeroepen, om andere concilies tegen te werken. Maar omdat de voornaamste gebeurtenissen van die tijd, zowel als de zilveren draad van de genade van God, in verband staan met de persoon van Athanasius, willen wij tot de geschiedenis van hem wederkeren.

Geschiedenis van Athanasius

Na een verbanning van twee jaar en vier maanden werd Athanasius, door de jongere Constantijn in zijn bisdom hersteld, waar hij met grote vreugde door zijn kudde verwelkomd werd. De dood van hun vorst stelde echter Athanasius aan een tweede vervolging bloot. Constantius, die voorgesteld wordt als een ijdel maar zwak mens, werd spoedig de geheime medeplichtige, van de Eusebiaanse partij. Aan het eind van het jaar 340 of het begin van het jaar 341 had in Antiochië een kerkvergadering plaats, bij gelegenheid van de inwijding van een prachtig kerkgebouw, dat door de oudste Constantijn gesticht was. Er waren ongeveer zevenennegentig bisschoppen, van welke veertig Eusebianen. Onder de vastgestelde geloofsregels behoorde, dat een bisschop, door een synode afgezet zijn bisschoppelijke werkzaamheden niet eerder zou uitoefenen, tot hij door een synode van gelijk gezag, van zijn vonnis zou zijn vrij verklaard. Deze wet, hoewel zij een schijn van billijkheid voor zich had, werd klaarblijkelijk vastgesteld met het oog op Athanasius; en het concilie sprak uit, of 1iever bevestigde, zijn afzetting. Gregorius, een Cappadociër, iemand van een hevig karakter, werd tot bisschop verkozen; en Philagrius, de prefect van Egypte, kreeg instructies om de nieuwe kerkvoogd met de burgelijke- en krijgsmacht van de provincie te ondersteunen. Daar Athanasius de lieveling van het volk was, weigerd en zij in Alexandrie een bisschop te ontvangen, die door of vanwege de keizer voor hen beschikt was. Allerlei tonelen van wanorde, belediging en heiligschennis volgden nu. “Het geweld”, zegt Milner, “bleek nu noodzakelijk te zijn om het onrecht staande te houden, en een Ariaanse vorst werd verplicht in de voetstappen te treden van zijn heidense voorgangers, om te beschermen hetgeen hij “de kerk” noemde”.

Athanasius, door de Aziatische kerkvorsten onderdrukt, verliet Alexandrië, om drie jaar in Rome door te brengen. De Romeinse opperkerkvoogd, Julius, met een synode van vijftig Italiaanse bisschoppen verklaarde hem onschuldig, en bevestigde zijn toelating tot de gemeenschap van de kerk. Niet minder dan vijf geloofsbelijdenissen waren door de Oosterse bisschoppen opgesteld in vergaderingen, tussen de jaren 341 en 345 samengeroepen te Antiochië, met de bedoeling om hun ware gevoelens te verbergen; doch het is erkend, dat geen enkele vrij kon genoemd worden van de Ariaanse zuurdesem, al werden ook de ergerlijkste stellingen van het  Arianisme bepaald daarin veroordeeld. De twee keizers, Constantius en Constans, begonnen nu te verlangen, dat de breuk, die tussen de Oosterse en de Westerse kerken bestond, mocht worden geheeld. Zij riepen daarom een concilie bijeen, dat in 347 gehouden zou worden te Sardica in Illyrië, ten einde een beslissing te nemen over de punten in geschil. Vierennegentig bisschoppen van het Westen, eenentwintig van het Oosten, de zaak behoorlijk van beide kanten onderzocht hebbende, spraken een oordeel uit, dat gunstig was voor Athanasius. De orthodoxe partij herstelde de verongelijkte kerkvoogd in Alexandrië, en veroordeelde allen, die zich tegen hem stelden, als vijanden van de waarheid. Ondertussen stierf de indringer Gregorius, en Athanasius werd bij zijn terugkomst in Alexandrië, waaruit hij acht jaar verbannen was geweest, met algemene blijdschap begroet. Het binnenkomen van de aartsbisschop in zijn hoofdstad leek op een zegevierende intocht: door zijn verwijdering en vervolging was hij de Alexandriërs nog dierbaarder geworden; en zijn naam was verbreid van Ethiopië tot aan Brittannië, over de gehele uitgestrektheid van de christelijke wereld.

Na de dood van Constans, de vriend en beschermer van Athanasius in het jaar 350, gevoelde de lafhartige Constantius, dat de tijd nu gekomen was, om zijn persoonlijke grieven tegen Athanasius bot te vieren, die nu niet meer door Constans verdedigd kon worden. Maar de moeilijkheid lag in de uitvoering. Gaf hij last tot het doden van de uitnemendste burger, het bevel zou zonder de minste aarzeling ten uitvoer worden gelegd; maar de veroordeling en doding van een bisschop, die bij het volk geliefd was, diende omzichtig langzaam en met enige schijn van recht te worden volvoerd. De Arianen togen aan het werk; zij hernieuwden hun listig bedrog; nieuwe concilies werden opgeroepen.

De concilies van Arles en Milaan

In het jaar 353 werd een synode gehouden te Arles, en in 355 een andere te Milaan. Bij de laatste waren meer dan driehonderd bisschoppen aanwezig. De zittingen hadden plaats in het paleis, in tegenwoordigheid van Constantius en zijn lijfwacht. De veroordeling van Athanasius werd listiglijk voorgesteld als de enige maatregel, die de vrede en de eenheid aan de Katholieke Kerk terug kon geven. Doch de vrienden van de bisschop bleven hun leidsman en de zaak van de waarheid getrouw. Zij betuigden de keizer, in de meest mannelijke en christelijke geest, dát noch de hoop op zijn gunst, noch de vrees voor zijn ongenoegen, hen zou bewegen om mee te werken tot het veroordelen van een afwezige, onschuldige en geëerde dienaar van Christus. De strijd was lang en hevig; de opgewekte belangstelling zeer hoog; de ogen van het gehele rijk waren gericht op een enkele bisschop. Maar de Ariaanse keizer werd ongeduldig, en nog voor het concilie van Milaan uiteenging, was de aartsbisschop van Alexandrië plechtig veroordeeld en afgezet. Een algemene vervolging werd gericht tegen allen, die hem begunstigden, om een ieder te dwingen, dat hij zou denken zoals de keizer. Zo scherp werd deze vervolging, dat de orthodoxe partij de kreet slaakte, dat de dagen van Nero en Decius teruggekeerd waren. Athanasius zelf vond een schuilplaats in de woestijnen van Egypte.

Constantius sterft; zijn opvolgers

In het jaar 361 stierf Constantius, de beschermer van de Arianen. Evenals zijn vader, stelde hij zijn doop uit tot kort voor zijn overlijden. De voorspoedige dagen van de Arianen, waren nu voorbij.

Julianus, gewoonlijk “de afvallige” genoemd, volgde in de regering op; en waarschijnlijk om zijn volslagen onverschilligheid omtrent de theologische twistvragen aan de dag te leggen, gaf hij bevel tot het herstel in hun ambt van de bisschoppen, die Constantius verbannen had. Na een korte regering van twee-en-twintig maanden en een ijdele poging om het heidendom weer tot aanzien te brengen, stierf hij plotseling aan een wond in de borst, hem door een pijl van een Pers toegebracht.

Jovianus, die onmiddellijk Julianus opvolgde, beleed het Christendom. Hij is de eerste van de Romeinse keizers, die enig duidelijk bewijs gaf, dat hij werkelijk de waarheid, gelijk die is in Jezus, liefhad. Hij schijnt een oprecht Christen geweest te zijn, voordat hij de troon beklom, daar hij de afvallige Julianus te kennen had gegeven liever zijn betrekking dan zijn godsdienst op te geven. Toch waardeerde Julianus hem, en hield hem in zijn nabijheid tot aan zijn dood. Het leger verklaarde zich voor het Christendom, de Labarum (kruisbanier) werd opnieuw daarover opgeheven, na tijdens de regering van Julianus terzijde gelegd te zijn. Jovianus echter had uit de voorgaande tijden geleerd, dat de godsdienst door uitwendige kracht niet bevorderd kon worden. Daarom betoonde hij volkomen verdraagzaamheid jegens zijn heidense onderdanen; en met betrekking tot de verdeeldheden onder de Christenen verklaarde hij, dat hij niemand uithoofde van zijn godsdienstige gevoelens overlast zou aandoen, maar iedereen liefhebben zou, die de vrede en het welzijn van de gemeente van God voorstond. Athanasius keerde, toen hij de dood van Julianus vernomen had, weer naar Alexandrië terug, tot blijde verrassing van zijn kudde. Jovianus schreef aan Athanasius, bevestigende hem in zijn betrekking, en nodigende hem uit aan zijn hof te komen. De bisschop voldeed aan die uitnodiging; de keizer verlangde onderricht en raad; door persoonlijke omgang verkreeg Athanasius een grote invloed op Jovianus, waartegen zijn vijanden tevergeefs alle pogingen aanwendden om die te verijdelen. Maar de regering van deze christenvorst duurde niet langer dan acht maanden. Hij werd op 17 februari in 364 dood in zijn bed gevonden, gestikt, naar men denkt, door houtskooldamp.

Valentinianus en Valens, twee broers, volgden Jovianus op; de eerste regeerde in het Westen, de tweede in het Oosten. In de aangelegenheden van de kerk, volgde Valentinianus het spoor van Jovianus. Alle tussenkomst in punten van de leer weigerde hij, maar persoonlijk hield hij onwrikbaar vast aan de geloofsbelijdenis van Nicea. Als krijgs- en staatsman bezat hij vele en grote bekwaamheden. Beide broers, zoals gemeld wordt, hadden zich gedurende de regering van Julianus aan groot gevaar blootgesteld, vanwege hun belijdenis van het Christendom; maar Valens werd later tot het Arianisme overgehaald door zijn vrouw, die hem bewoog zich te laten dopen door de Ariaanse bisschop van Constantinopel. Men verhaalt, dat deze bisschop hem een eed afnam om de Katholieken te vervolgen. Hoe het zij, één ding is zeker, dat hij namelijk spoedig na zijn doop groten ijver ten behoeve van de Arianen betoonde, en de geestelijken bitter vervolgde, om hun aanhangen van de geloofsbelijdenis van Nicea en het uitoefenen van hun invloed ten gunste daarvan.

Onder de werking van het edikt van Valens, 367, werd Athanasius andermaal door de Arianen – deze vijanden van de christelijke godzaligheid – aangevallen. Tatianus, gouverneur van Alexandrië, probeerde hem uit de stad te verdrijven; maar de liefde van het volk was zo sterk voor de eerwaardige bisschop, dat hij er enige tijd tegen opzag om zijn plan te volvoeren. Ondertussen trok Athanasius, wetende wat hem te wachten stond, zich stil terug, en hield zich vier maanden in de grafspelonk van zijn vader verborgen. Dit was de vierde maal, dat hij Alexandrië verliet. Valens riep hem later, uit ontzag naar het schijnt voor het volk, dat hem aanhing, terug en liet hem zonder verdere hindernis zijn herderlijk werk voortzetten, totdat in 373 de Heer hem van zijn arbeid afriep, om hem in de rust in te voeren. Valens sneuvelde in een gevecht tegen de Gothen in het jaar 378, nadat hij veertien jaar geregeerd had.

Welke dienst heeft Athanasius aan de kerk bewezen?

Wij zijn geneigd te geloven, dat Athanasius onder Gods zegen het middel was, om de kerk tegen de Ariaanse ketterij te behoeden, die de naam en het geloof van de Heer Jezus Christus in de christenheid dreigde te doen verdwijnen. De vijand beoogde niets minder dan een christelijk stelsel, dat weldra op een gehele verloochening van het werkelijke Christendom moest uitlopen. Maar het concilie van Nicea werd door God dienstbaar gemaakt aan het verijdelen van deze boze opzet. De vaststelling van de godheid van Christus en van de Heilige Geest, als één met God de Vader, werd rijkelijk gezegend door God toentertijd, en is dat voortdurend geweest tot de dag van heden toe. Hoewel de kerk ontrouw was geweest en in de schoot van de wereld terechtgekomen was, “daar waar de satan woont”, verwekte God een duidelijk getuigenis voor Zijn heilige Naam en het geloof van Zijn uitverkorenen. Schrijvers van de staatkundige, zowel als van de kerkelijke gebeurtenissen, geven eenparig het eervolste getuigenis aan de bekwaamheid, werkzaamheid, standvastigheid, zelfverloochening en de onvermoeide ijver van Athanasius, de verdediger van de hoofdwaarheid aangaande de heilige Drie-eenheid. “U houdt vast aan Mijn Naam, en u hebt het geloof in Mij niet verloochend” (Openb. 2:13) zijn woorden die wij gerust mogen toepassen op de getrouwheid van Athanasius en zijn vrienden, evengoed als op alle getrouwen in alle eeuwen. De “overwinnaars”, waarvan in de brief gesproken wordt, waren ook zeker aanwezig; maar de Heer heeft niet toegelaten, dat zij opgemerkt of vermeld zouden worden door de geschiedschrijvers. Zij waren Gods verborgenen, die gevoed werden met het verborgen manna. In de heerlijkheid zullen zij een plaats innemen dicht nabij de Heer: “Aan wie overwint, zal Ik van het verborgen manna te eten geven, en Ik zal hem een witte steen geven met op die steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan wie hem ontvangt” (Openb. 2:17).

Wordt D.V. vervolgd.

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes
In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord de Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten
Bewerking: © Frisse Wateren – rm

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol