7 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (41)

Deel 1: 32-814 n. Christus

Hoofdstuk 10 (1)

CONSTANTIJN

De regering van Constantijn vormt een belangrijk tijdvak in de geschiedenis van de kerk. Zowel zijn vader Constantius, als zijn moeder Helena, waren godsdienstig gezind, en voortdurend welwillend jegens de Christenen. Constantijn bracht enige jaren van zijn jeugd als gijzelaar door aan het hof van Diocletianus en Galerius. Hij was in 303 te Nicomedië getuige van de afkondiging van het vervolgings-edict en van de gruwelen, die er uit voortvloeiden. Toen hij ontsnapt was, vervoegde hij zich bij zijn vader in Brittannië. Constantius stierf in 306 te York. Hij had tot zijn opvolger benoemd zijn zoon Constantijn die daarop door het leger als Augustus begroet werd. Constantijn was, meer nog dan zijn vader, de Christenen genegen. Er waren op dat ogenblik zes pretendenten naar de oppermacht in het rijk. Galerius, Liciniüs, Maximianus, Maxentius, Maximinus en Constantijn. Een wedijver ontstond, waarvan men in geschiedboeken van Rome nauwelijks de weerga vindt. Constantijn overtrof in staatkundig beleid en krijgsbekwaamheden verreweg al zijn mededingers. In 312 trok hij Rome zegevierend binnen. Reeds het volgende jaar werd een besluit genomen, waarbij de vervolgingsedikten van Diocletianus werden herroepen, de Christenen bemoedigd, hun leraars geëerd, en zijzelf begiftigd met posten van vertrouwen en invloed in de staat. Deze grote omkeer in de geschiedenis van de kerk voert ons tot het tijdvak van Pergamus.
Het tijdvak van Pergamus313-606De brief aan de engel van de gemeente te Pérgamus beschrijft nauwkeurig de toestand in de tijd van Constantijn. Maar wij willen hem in zijn geheel aanhalen, om onze lezers het maken van vergelijkingen te vergemakkelijken: “En schrijf aan de engel van de gemeente te Pérgamus: Dit zegt Hij, die het scherp, tweesnijdend zwaard heeft. Ik weet waar gij woont, daar waar de troon van de satan is; en gij houdt vast aan Mijn naam, en het geloof in Mij hebt gij niet verloochend, zelfs niet in de dagen, waarin Antipas Mijn getrouwe getuige was, die gedood werd bij u, waar de satan woont. Maar ik heb enkele dingen tegen u: dat gij daar hebt, die de leer van Bileam vasthouden, die Balak leerde de zonen van Israël een strik te spannen, om afgodenoffers te eten en te hoereren. Zo hebt ook gij, die op dezelfde wijze de leer van de Nicolaïeten vasthouden. Bekeer u dan; maar zo niet, Ik kom spoedig tot u, en Ik zal strijd tegen hen voeren met het zwaard van Mijn mond. Wie oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik geven van het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent, dan hij die hem ontvangt” (Openb. 11:12-17).In Efeze zien wij de eerste afwijking, het verlaten van de “eerste liefde”, het hart niet meer zo vervuld met Christus, noch met het genot van Zijn liefde. In Smyrna liet de Heer toe, dat de gelovigen in de vuuroven werden geworpen, opdat de voortgang van de afwijking mocht worden gestuit. Zij werden vervolgd door de heidenen. Door middel van deze beproevingen herleefde het Christendom; het goud werd gelouterd; de gelovigen hielden vast aan de naam en het geloof van Christus. Zo werd satan overwonnen; en de Heer leidde het zó, dat de keizers, de een na de ander, onder de meest vernederende en beschamende omstandigheden, openlijk hun nederlaag moesten bekennen. Maar in Pérgamus verandert de vijand van taktiek. In plaats van vervolging van buiten, komt er verleiding van binnen. Onder Diocletianus was hij de brullende leeuw; onder Constantijn is hij de misleidende slang. Pergamus is het toneel van satan’s vleiend vermogen; hij is binnen de gemeente. De leer van de Nicolaïeten is het veranderen van genade tot verderf  – het vlees toegelaten te werken in de gemeente van God. Dit was hetgeen plaats vond onder Constantijn.

Volgens de geschiedenis was het juist, toen de vervolging zich had uitgeput; toen de mensen van hun eigen woede verzadigd waren; toen zij zagen dat al hun pogingen ijdel was, dat de lijders ophielden zich te bekommeren over de dingen van de wereld en meer van harte Christus aanhingen. Ja, dat zelfs het aantal Christenen hoe langer hoe groter werd. Satan beproeft nu een list, die hij reeds van ouds had aangewend tegenover Israël, en die hem daar zo goed gelukt was (Num. 25). Toen hij van de Heer geen verlof kon krijgen om zijn volk Israël te vloeken, zocht hij hen te verderven door hen te verzoeken met ongeoorloofde verbintenissen met de dochters van Moab. Als een valse profeet werkte hij nu in de gemeente van Pérgamus, de gelovigen verlokkende tot onbehoorlijke verbinding met de wereld, de plaats waar satan’s troon en gezag gevonden wordt. De wereld vervolgt nu niet meer; zij geeft voorrechten aan de Christenen door de burgerlijke erkenning en gelijkstelling van het Christendom. Constantijn geeft zichzelf voor een Christen uit, en schrijft zijn zegepralen aan de kracht van het kruis toe. De list gelukt maar al te goed; de gemeente is ingenomen met zijn bescherming; gaat hand in hand met de wereld, en daalt af tot “daar, waar de troon van de satan is”. Alles was nu verlaten, voor zover het haar bijzonder, gemeenschappelijk getuigenis aanging, en de weg tot het pausdom was ontsloten. Naar de wereld was veel gewonnen; maar, helaas! het was ten koste van de eer en heerlijkheid van haar hemelse Heer en Heiland.
De gemeente, zoals wij niet moeten vergeten, is geroepen uit Joden en heidenen, om tot een getuigenis te zijn, dat zij niet behoort tot de wereld, maar tot de hemel, in eenheid met een verheerlijkte Christus. Zo zegt Hijzelf: “Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik van de wereld niet ben. Heilig hen door de waarheid: Uw woord is de waarheid. Zoals Gij Mij gezonden hebt in de wereld, zo heb ook Ik hen in de wereld gezonden” (Joh. 17:16-18).

De zending van de Christen rust op dezelfde grond, en heeft hetzelfde karakter als die van Christus. “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u”. Zij werden als het ware uit de hemel tot de wereld gezonden door de Heer, opdat zij Zijn wil doen, voor Zijn eer waken, en na het voleindigen van hun werk weer tot Hem terug keren zouden. Aldus behoort de Christen een hemels getuige te zijn van de waarheid van God, met name aangaande de volkomen verdorvenheid van de mensen en Gods liefde in Christus tot een wereld, die verloren gaat ten einde zodoende zielen uit die wereld te trekken, opdat zij behouden worden van de toekomende toorn.
Verliezen wij echter onze hoge roeping uit het oog en verbinden wij ons met de wereld, alsof wij tot haar behoorden, dan falen wij in ons getuigenis. Wij berokkenen aan Christus een grote schande, en aan de wereld een grote schade. Dit zullen wij spoedig zien, dat de gemeente deed, wat betreft haar gemeenschappelijke positie en handelwijze. Zeker waren er een aantal gevallen van persoonlijke trouw in het midden van het algemene verval. De Heer zelf spreekt van Zijn trouwe Antipas, die gedood werd. Zo neemt Hij bijzondere kennis van elke persoon, die getrouw blijft, en gedenkt hun met name.

Maar het oog en hart van de Heer had Zijn arme, ontrouwe gemeente gevolgd tot in de diepte, waartoe zij vervallen was. “Ik weet uw werken” zegt Hij, en “waar gij woont, daar waar de troon van de satan is”. Welke ernstige woorden van de lippen van Hem, die zij onteerd had! Voor Zijn oog was niets verborgen! Ik weet, Ik heb gezien hoe het met u gegaan is. De gemeente als geheel had de voorwaarden van de keizer aangenomen; zij was nu verbonden met de staat, en woonde bij de wereld. Dit was het kenmerk van Babylon, het plegen van hoererij met de koningen van de aarde. Hij echter, die in het midden van de gouden luchters wandelt, oordeelt haar doen en haar bestaan. “Schrijf aan de engel van de gemeente te Pérgamus: Dit zegt Hij die het scherp, tweesnijdend zwaard heeft”. Hij neemt de plaats in van een, die gewapend is met het zwaard van God, het Woord, dat, doordringt tot de verdeling van de ziel en van de geest. Het zwaard is het symbool van datgene, waardoor alle kwesties beslecht worden, hetzij het vleselijke zwaard van de volken of “het zwaard van de Geest, hetwelk Gods Woord is”.

Er is menigmaal opgemerkt, dat er altijd een kenbaar en leerzaam verband is tussen de wijze, waarop Christus zich voorstelt, en de toestand van de gemeente, die Hij aanspreekt. Dit is ook het geval in de brief die wij beschouwen. Het Woord van God had blijkbaar zijn ware plaats in de gemeente van Zijn gelovigen verloren; het oefende niet meer oppergezag in de dingen van God. Maar de Heer Jezus draagt zorg te tonen, dat het in Zijn handen zijn gezag en macht nog niet verloren had. “Bekeer u dan”, zegt Hij “maar zo niet, Ik kom spoedig tot u en Ik zal strijd tegen hen voeren met het zwaard van Mijn mond”. Let wel op, dat Hij niet zegt: Ik zal strijd voeren tegen u, maar tegen hen. Tucht oefenende in de gemeente, handelde de Heer met inachtneming van de afzonderlijke toestanden en met genade. De publieke houding van de gemeente was verkeerd. Er was openbare verbinding met de vorst van de wereld, in plaats van trouw jegens Christus, de Vorst van de hemel. Maar die een oor had om te horen, wat de Geest tot de gemeenten zei, had verborgen gemeenschap met Hem, die de trouwe ziel verkwikt met het verborgen manna. “Wie overwint, die zal Ik geven van het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven, en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan hij die hem ontvangt”. De algemene afwijking moest vanzelf de weinige getrouwen, – het overblijfsel – afzonderlijk stellen. Aan hen wordt de belofte gegeven (Openb. 2:12-17).

Het manna, zoals wij leren uit Johannes 6, stelt Christus voor, zoals Hij kwam van de hemel, om het leven te geven aan onze zielen. “Ik ben het levende brood, dat uit de hemel neergedaald is; als iemand van dit brood eet, die zal leven tot in eeuwigheid” (Joh. 6:51). Als de Zachtmoedige, die de plaats van de nederigheid in deze wereld innam, is Hij onze kracht tot de dagelijkse wandel door de wildernis. Het manna moest elke morgen, vóór zonsopgang, worden ingezameld. Het “verborgen” manna wijst terug naar de gouden kruik met manna, die in de ark bewaard werd tot gedachtenis voor het aangezicht van de Heere. Het stelt voor de gezegende herinnering aan Christus, als de nederige, lijdende mens in deze wereld, die het eeuwig welbehagen van God en van de heiligen in de hemel uitmaakt. Niet slechts heeft de ware gelovige gemeenschap met Christus als verheerlijkt daarboven; maar ook met de eenmaal vernederde Jezus hier beneden. Dit kan echter niet gebeuren, als wij aan de vleierijen van de wereld gehoor geven en haar gunsten aannemen. Onze enige kracht tegen de geest van de wereld is het wandelen met een verworpen Christus, en het genieten van Hem als ons tegenwoordig deel. Ons hoge voorrecht is te eten niet meer van het manna, maar van het manna, “dat verborgen is”. Wie kan uitspreken, hoe gezegend deze gemeenschap is, of wat zij missen, die Christus met het hart verlaten, en afdwalen naar de wereld!

De “witte (keur)steen” is een bewijs van de bijzondere gunst van de Heer. Daar de belofte gegeven wordt in de brief aan Pergamus, kan er door bedoeld worden de uitdrukking van Christus’ goedkeuring over de wijze, waarop zij, die overwonnen, voor Hem getuigden en leden, terwijl zovelen door de verleiding van satan werden afgetrokken. Er ligt het algemene denkbeeld in van een verborgen onderpand van volkomen welbehagen. Een juiste omschrijving is moeilijk; maar het hart kan het heerlijke daarvan genieten, zonder in staat te zijn er een beschrijving van te geven. Zalig zij, die er voor zichzelf kennis aan hebben. Er is een gemeenschappelijke vreugde, maar er is ook een bijzondere vreugde, die wij alleen, en dat voor eeuwig, in Christus smaken kunnen: “en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan hij die hem ontvangt”. Welk een ongekende bron van kalme rust, zoete vrede, ware vergenoeging en goddelijke versterking vinden wij in de “witte (keur)steen” en in de “nieuwe naam”, geschreven door Zijn eigen Hand. Anderen mogen ons niet begrijpen of verkeerd beoordelen; maar Hij weet alle dingen, en het hart kan rustig blijven, wat er ook gebeurt. Terzelfdertijd moeten wij alles oordelen door het Woord van God – het scherp, tweesnijdend zwaard – evenals wijzelf daardoor geoordeeld worden.
De brief aan de gemeente te Pergamus aldus nagegaan hebbende, zullen wij beter de gedachten van de Heer kunnen begrijpen met betrekking tot het gedrag van de Christenen onder de regering van Constantijn. Het naamchristendom en de wereld waren nu in verbond getreden, en waren beiden voldaan. Daar de wereld niet kon stijgen tot het hoge peil van de kerk, moest de kerk afdalen tot het lage peil van de wereld. Nochtans werd de schone, uitwendige gedaante van het Christendom behouden; en zeker waren er onder dit alles velen, die aan het geloof en de naam van Jezus trouw bleven.

De bekering van Constantijn

In het jaar 312 trok Constantijn uit Frankrijk naar Italië tegen Maxentius op. De naderende strijd zou een beslissende wezen, daar hij het gevolg moest hebben, dat hij ten onder ging, of dat hij het toppunt van macht bereiken zou. Ernstige gedachten vervulden zijn geest. Het was bekend, dat Maxentius grote voorbereidingen voor de worsteling maakte, door het vergroten van zijn leger en het nauwgezet in acht nemen van de gewone heidense plechtigheden. Hij raadpleegde met grote inspanning de orakels, en vertrouwde voor een gelukkige uitslag op de tussenkomst van bovennatuurlijke machten.Constantijn, hoewel verstandig en zedelijk van gedrag, was niettemin nog altijd een heiden. Hij wist, waartegen hij strijd te voeren had; en terwijl hij overwoog, tot welke god hij de toevlucht nemen zou om bescherming en zegen, dacht hij aan hetgeen zijn vader, de keizer van het Westen, gedaan had. Hij herinnerde zich, dat deze had gebeden tot de God van de Christenen, én altijd voorspoedig geweest was; terwijl de keizers, die de Christenen vervolgden, bezocht waren door de goddelijke wraak. Hij besloot daarom de dienst, van de afgoden op te geven, en de bijstand in te roepen van de enige ware God in de hemel. Hij bad, dat God zich aan hem mocht bekend maken, en dat Hij hem de overwinning zou geven over Maxentius, niettegenstaande al diens toverkunsten en bijgelovigheden.Met zulke gedachten bezig verbeeldde Constantijn zich, even na het midden van de dag, een buitengewoon verschijnsel aan de hemel te bespeuren. Dit verschijnsel nam de vorm aan van een schitterend kruis “met het opschrift daarboven: “In dit teken zult gij overwinnen”. De keizer en zijn gehele leger, dat getuige was van dit wonderlijk gezicht, stonden als verpletterd. Maar terwijl de keizer ernstig nadacht over de betekenis daarvan, viel hij in slaap. Hij droomde, dat de Heiland hem verscheen, dragende in Zijn hand hetzelfde teken, dat hij in de lucht gezien had, en hem zeggende, dat hij een banier zou laten maken volgens dat model, ten einde als oorlogsstandaard te dienen, waardoor hij zeker zou zijn van de overwinning. Constantijn beschreef na zijn ontwaken, wat hij in de slaap gezien had, en besloot zonder uitstel het teken van het kruis tot keizerlijke banier aan te nemen.

De kruisbanier

Volgens Eusebius zond men onmiddellijk om werkers in goud en edele steenen, die uit Constantijn’s eigen mond hun orders ontvingen. Eusebius heeft de standaard gezien, en geeft er een uitvoerige beschrijving van. Daar alle kerkelijke geschiedschrijvers groot belang gesteld hebben in deze relikwi van de oudheid, willen wij er onze lezers enig denkbeeld van trachten te geven.

De schacht of rechtstandige staf was lang en overtrokken met goud. Op de top bevond zich een kroon, samengesteld uit goud en edele stenen, waarop het heilig symbool van het kruis en de eerste twee griekse letters van de naam Christus (*) gegraveerd waren. Onmiddellijk onder deze kroon was een afbeelding in goud van de keizer, en daaronder een houten dwarsstuk, waarvan een vierkante purperen vlag afhing, rijk geborduurd en met edelstenen overdekt. Zij heette de Labarum (=) Deze schitterende banier werd voor het keizerlijke leger uitgedragen, en stond onder de bewaring van vijftig uitgelezen mannen, die uit kracht daarvan geacht werden onkwetsbaar te zijn.
Nu liet Constantijn christenleraars komen, die hij ondervroeg omtrent de God, die hem verschenen was, en omtrent de betekenis van het symbool van het kruis. Dit gaf aanleiding om zijn aandacht te vestigen op het Woord van God, en hem in te lichten aangaande Jezus en Zijn sterven aan het kruis. Van die tijd af verklaarde de keizer zich bekeerd tot het Christendom. De bijgelovige verwachtingen van Constantijn en zijn leger klommen nu op het hoogst. De beslissende slag werd gestreden bij de Milviaanse brug. Constantijn behaalde een schitterende zegepraal over zijn tegenstander Maxentius, hoewel die zijn troepen viermaal zo talrijk waren als de zijne.

Het edict van Constantijn en Licinius

De overwinnende keizer bracht een kort bezoek aan Rome. Onder andere liet hij aldaar in het Forum een standbeeld van zichzelf oprichten, met de rechterhand een standaard in de vorm van een kruis vasthoudende, waarop geschreven stond: “Door dit heil aanbrengend teken, het ware symbool van de dapperheid, bevrijdde ik uw stad van het juk van de tyrans”. Maxentius werd de morgen na de slag in de Tiber gevonden. De keizer gevoelde blijkbaar, dat hij zijn voorspoed te danken had aan de God van de Christenen en aan het teken van het kruis. Verder ging in die tijd zijn Christendom niet. Zijn toestand als zondaaar had hij niet gevoeld; of hij dit later gedaan heeft, kunnen wij niet zeggen. Eerst als legerhoofd, later als staatsman omhelsde en waardeerde hij het Christendom, maar alleen God kan beoordelen, of hij ooit als een verloren zondaar de Heiland heeft aangenomen.

Constantijn ging nu verder naar Illyrië om Licinius te ontmoeten, met wie hij, voordat hij tegen Maxentius op ging trekken, een geheim verbond gesloten had. De twee keizers zagen elkaar te Milaan, waar hun verbond bezegeld werd door het huwelijk van Licinius met de dochter van Constantijn. Gedurende dit rustig ogenblik wist Constantijn van Licinius toestemming te verkrijgen tot de herroeping van de vervolgingsedikten van Diocletianus en tot de uitvaardiging van een nieuw edikt, waarbij het Christendom volkomen vrij verklaard werd. Een openbaar edikt werd in het jaar 313 te Milaan, uit naam van Constantijn en Licinius, ten gunste van de Christenen uitgegeven, dat als de grondwet van hun vrijheden kan beschouwd worden. Onbeperkte toelating werd hun gewaarborgd; hun kerken en eigendommen werden zonder vergoeding teruggegeven; en uitwendig bloeide het Christendom. Maar de vrede tussen de keizers, ogenschijnlijk op vaste grondslagen gevestigd, werd al snel gestoord. IJverzucht, begeerte tot de onbeperkte alleenheerschappij in het Romeinse rijk was de oorzaak, dat de goede verstandhouding niet lang duurde. In het jaar 314 brak de openlijke vijandschap uit, en Licinius werd verslagen, en leed zware verliezen in manschappen en grondgebied. Een nieuwe vrede kwam tot stand, die negen jaar aanhield. Een tweede oorlog kon echter niet uitblijven, die nog eens de vorm van een godsdiensttwist tussen de ijverzuchtige keizers aannam. Licinius zocht de heidense priesters op zijn hand te krijgen, en vervolgde de Christenen. Hij bracht vele bisschoppen ter dood, wetende, dat zij de begunstigde hovelingen van zijn mededingers waren. Beide partijen maakten toebereidselen voor een worsteling, waarvan de uitkomst voorgoed beslissend wezen zou. Licinius offerde, alvorens uit te trekken, aan de afgoden, en verhief ze in een openbare redevoering zeer hoog. Constantijn daarentegen steunde op de God, wiens symbool zijn leger vergezelde. De twee legers stieten op elkaar. De strijd was hevig, langdurig en bloedig. Licinius was geen tegenstander, die onderschat moest worden; maar Constantijn’s genie als bevelvoerder, zijn ijver en moed deden de schaal in zijn voordeel overslaan. De overwinning was volkomen. Licinius overleefde zijn nederlaag niet langer dan één jaar. Hij stierf door de hand van een sluipmoordenaar in 326. Nu had Constantijn het doel van zijn eerzucht bereikt. Hij was alleen en onbepaald souverein van het Romeinse rijk, hetwelk hij bleef tot aan zijn dood in 337. Voor een beschrijving van zijn loopbaan als staats- en krijgsman moeten wij de lezer verwijzen naar de algemene staatkundige geschiedenis. Wij houden ons alleen kort met de godsdienstige zijde van zijn leven bezig.

* (XP) IZTOX, Christos, Christus. Deze naam droeg oorspronkelijk de oud Romeinse krijgsvaan, later die van Constantijn, en nu nog bij de Roomsen de vaan, die bij de processies of ommegangen gebruikt wordt. N. v. d. V.

Wordt D.V. vervolgd.

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes
In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord de Waarheid”
Postbus 260
7120 AG Aalten

 

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol