11 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (15)

In onze dagen is het voor sommigen nog steeds het toppunt van het leven, of misschien moet men zelfs zeggen van de dood, namelijk “martelaar” zijn. Zonder daar nu verder diep op in te kunnen gaan in het kader van deze artikelenreeks, zijn er wel grote verschillen tussen Christen-martelaars en Moslim-martelaars. Hiervoor verwijs ik u naar serie “Martelaars” van Frisse Wateren. Omdat het martelaarschap in onze dagen nogal “in” is, vestig ik nu uw aandacht op nog een andere Christen-martelaar, Filippus en Bartholomeüs. Zij hebben ook dankzij hun martelaarschap een unieke plaats in de geschiedenis van de Christelijke Kerk. Verder kijken we deze keer ook naar Mattheüs, ofwel Levi …

Deel 1: 32 – 814 n. Christus

Filippus

In genoemde volgorde komt hij voor bij de eerste drie evangelisten. Hij was uit Bethsaïda, de stad van Andréas en Petrus (Johannes 1:44). Het is meer dan waarschijnlijk, dat hij behoorde tot de Galileeërs uit dit distrikt, die samen kwamen om de prediking van Johannes de doper aan te horen. Hoewel van geen deel van het joodse land in zulke verachtelijke bewoordingen gesproken werd als van Galiléa, was het uit deze verachte, maar eenvoudige, ernstige en vrome Galileeërs, dat onze Heer zijn apostelen koos. “Onderzoek en zie”, zeiden de farizeeen, “dat uit Galiléa geen profeet opstaat”. Doch vluchtige gezegden zijn over het algemeen meestal onwaar1. “Kan uit Nazareth iets goeds zijn?” is er een voorbeeld van.

Er wordt niets gezegd aangaande de ouders van Filippus of van zijn beroep. Waarschijnlijk was hij ook een visser, het algemene beroep in Bethsaïda. Uit de overeenstemming in uitdrukkingen, gebezigd door Filippus en Andréas, en uit de omstandigheid dat zij meer dan eens samen vermeld worden, zouden wij kunnen concluderen, dat onze apostel een vertrouwd vriend was van de zonen van Jona en van Zebedéus, en dat zij tezamen naar de verwachte Messias uitzagen. Maar in de hele kring van de discipelen heeft Filippus de eer het eerst geroepen te zijn. De eerste drie waren gekomen tot Jezus, en spraken met Hem nog voor Filippus met Hem sprak; maar daarna keerden zij tot hun bezigheden terug en werden ongeveer een jaar later geroepen om de Heer te volgen. Filippus werd echter direct geroepen. “De volgende dag wilde Hij naar Galilea vertrekken en Hij vond Filippus; en Jezus zei tot hem: Volg mij” (Johannes 1:44). Deze woorden, zo vol van betekenis en rijk aan zegen voor de ziel, schijnen aldus het eerst tot Filippus gesproken te zijn. Toen de twaalf afgezonderd werden voor hun werk, was hij onder hen.

Onmiddellijk na zijn roeping, vindt Hij Nathanaël en leidt hem tot Jezus. Het is klaarblijkelijk, uit de blijde verrassing die in zijne mededeling spreekt, dat zij te voren met elkaar over deze dingen hadden gesproken. Nu was zijn hart verzekerd, vandaar de vreugde die ligt opgesloten in de woorden: “Wij hebben Hem gevonden van Wie Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten: Jezus, de zoon van Jozef, van Nazareth” (Johannes 1:46). Er spreekt een ernstig hart uit Filippus, hoewel de evangelisten weinig van hem meedelen. Het laatste wat van hem gemeld wordt, is, even als het eerste, zeer belangwekkend. Nadat hij de Heer in de toespraken, welke vermeld staan in Johannes 12, 13 en 14, herhaaldelijk had horen spreken over Zijn Vader, liet hij een sterk verlangen zien meer van de Vader te weten. De ontroerende woorden van de Heer omtrent Zijn Vader schijnen een diepe indruk te hebben gemaakt op zijn hart; en dat is voorwaar geen wonder. “Vader, verlos Mij uit dit uur” – “Vader, verheerlijk uw naam!” – “In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen” zijn uitspraken, die wel diep moesten ingaan in het hart van de discipelen. Maar er is een liefelijke eenvoud bij Filippus, al bestond er weinig inzicht. “Filippus zei tot Hem: Heer, toon ons de Vader en het is ons genoeg”. Er ligt duidelijk afkeuring, zo niet berisping in het antwoord van de Heer aan Filippus. “Jezus zei tot hem: Ben ik zo lange tijd bij u en hebt je mij niet gekend, Filippus? Wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien; hoe zeg je dan: Toon ons de Vader? Geloof je niet dat ik in de Vader ben en de Vader in mij is? … En zo niet, gelooft Mij om de werken zelf” (Johannes 14:8-12). De Vader had zich in Hem geopenbaard persoonlijk, en hij had Hem behoren te kennen. Hij was nu “lange tijd” bij Zijn discipelen geweest, en zij hadden moeten opmerken, dat Hij in de Vader was en de Vader in Hem, en daarom ook moeten weten waar Hij heenging; want Hij ging heen tot de Vader. Zij hadden zowel de “woorden” als de “werken” van de Zoon tot hun overtuiging, dat de Vader in Hem woonde. Zijn woorden hadden zij gehoord, Zijn werken gezien, Zijn gezindheid waargenomen, en dit alles was geschikt om hun de Vader bekend te maken. Zijn eigen persoon was het antwoord op elke vraag. “Ik ben de weg en de waarheid en het leven” (Johannes 14:6). Hij was de weg – de enige weg tot de Vader. Hij was de waarheid – de waarheid aangaande elke persoon en elke zaak wordt alleen door Hem gekend. Hij was het leven – dat eeuwige leven, dat bij de Vader was, en ons is geopenbaard”. Toch is het alleen door het onderwijs en de kracht van de Heilige Geest, dat Hij die “de weg en de waarheid en het leven” is, gekend en genoten wordt. En er moet onderwerping van het hart aan Christus zijn, zullen wij het onderwijs van de Geest verstaan.

Na dit hoogst belangrijk en leerzaam onderhoud tussen de Heer en de Zijnen, is alles wat tot de geschiedenis van Filippus behoort in het onzekere omdat zijn naam verder in de Schrift niet voorkomt. In de lijst (zie Handelingen 1:13) heeft hij zijn eigen plaats. De overlevering heeft zo dikwijls Filippus, de evangelist, verward met Filippus, de apostel, dat alles onzeker is. Zeker zullen zijn overige jaren zijn doorgebracht in de dienst van zijn Heer en Heiland maar waar, is moeilijk te zeggen. Sommigen denken dat Boven-Azië het toneel was van zijn vroegste arbeid en dat hij later te Hiërapolis in Frygië kwam, waar hij een wrede marteldood stierf.

Bartholomeüs

Door oudere en nieuwere schrijvers wordt vrij algemeen geloofd, dat de geschiedenis van Bartholomeüs verborgen ligt onder een andere naam. Dat hij een van de twaalven was, is duidelijk uit het evangelieverhaal, hoewel dit niets meer dan de loutere vermelding geeft van zijn naam. Bij de eerste drie evangelisten worden Filippus en Bartholomeüs samen genoemd; bij Johannes is het Filippus en Nathanaël. Deze omstandigheid heeft aanleiding gegeven tot een zeer algemene gissing, dat Bartholomeüs en Nathanaël twee namen zijn voor eenzelfde persoon. Niets was meer gewoon onder de joden. Bijvoorbeeld Simon Petrus wordt genoemd “Bar-Jona”, dat eenvoudig wil zeggen: zoon van Jona. “Bar-Timeüs” wederom betekent: zoon van Timeüs. Bartholomeüs is een naam van dezelfde soort. Het zijn alleen “verwantschapsnamen”, geen “eigennamen”. Daar deze gewoonte zo algemeen was onder de joden, is het menigmaal verbazend moeilijk personen, in het evangelie genoemd, van anderen te onderscheiden.

Indien wij dan nu aannemen, dat Nathanaël van Johannes de Bartholomeüs is van de andere evangelisten, gaan wij voort met wat wij aangaande hem weten. Zoals de andere apostelen was hij een Galileeër, geboren te Kana in Galiléa. Tevoren zagen wij, dat hij door Filippus het eerst tot Jezus geleid werd. Dichterbij komende werd hij door de Heer begroet met de eervolle onderscheiding: “Zie, waarlijk een Israëliet, in wie geen bedrog is”. Hij was zonder twijfel een man van ware eenvoudigheid en oprechtheid van karakter, en iemand die de verlossing in Israël verwachtte. Verbaasd over de liefelijke begroeting van de Heer, en zich verwonderende hoe de Heer hem op het eerste gezicht kende, zei Nathanaël tot Hem: “Vanwaar kent gij mij”? Jezus antwoordde en zei tot hem: “Voordat Filippus u riep, terwijl gij onder de vijgeboom waart, zag Ik u”. Indrukwekkende maar gezegende gedachte! Hij stond voor Iemand – een mens in deze wereld – die de verborgen dingen van het hart kent! Nathanaël was nu ten volle overtuigd van de volstrekte Godheid van de Messias, en erkende Hem in Zijn uitnemende heerlijkheid als “Zoon van God” zowel als “Koning van Israël”.

Het karakter van Nathanaël en zijn roeping worden beschouwd als type van het oprechte overblijfsel van Israël in de laatste dagen. De toespeling op de vijgeboom, het welbekende zinnebeeld van Israël, bevestigt deze beschouwing, gelijk ook zijn heerlijk antwoord dit doet: “Rabbi, Gij zijt de Zoon van God, Gij zijt de koning van Israël”. Het gespaarde overblijfsel, “gezien en gekend” door de Heer, zal op gelijke wijze zijn geloof in Hem belijden, zoals de profeten duidelijk voorzeggen. En allen die Hem aldus als Messias erkennen, zullen Zijn algemene heerlijkheid zien als Zoon des mensen, volgens Psalm 8. Die komende dag van Zijn, zich over alles uitbreidende, heerlijkheid wordt door de Heer vooruit vermeld in Zijn slotopmerkingen tot Nathanaël: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Gij zult van nu aan de hemel geopend zien en de engelen van God opstijgen en nederdalen op de Zoon des mensen”. Dan zullen hemel en aarde tot een gebracht zijn, als door de ladder van Jakob. – Maar … wij moeten nu teruggaan tot de geschiedenis van onze apostel.

De duidelijkste en beslissendste plaats aangaande zijn apostelschap is Johannes 21. Daar vinden wij hem in gezelschap van de andere apostelen, aan wie de Heer na Zijn opstanding verscheen aan de zee van Tiberias. Er waren samen Simon Petrus en Thomas, genaamd Didymus, en Nathanaël, die van Kana in Galiléa was, en de zonen van Zebedeüs, en twee andere van Zijn discipelen, waarschijnlijk Andréas en Filippus.

Er bestaat een algemeen aangenomen overlevering, dat Bartholomeüs reisde tot in India, predikende aldaar het evangelie. Misschien dat deel van India, dat het dichtst bij Klein-Azie ligt. In verschillende streken vertoefd hebbende, ten einde het Christendom te verbreiden, bereikte hij ten laatste Albanopel, in Groot-Armenië, een stad geheel in afgoderij gedompeld. Daar werd hij midden in zijn werk gevangen genomen door de stadhouder van de plaats en tot de kruisdood verwezen. De dagtekening is niet bekend.

Mattheüs

Mattheüs, ook Levi genaamd, de zoon van Alfeüs; doch niet dezelfde persoon, naar wij geloven, als Alfeüs, de vader van Jakobus (Mattheüs 10: 3; Markus 2:14; Lukas 5:27-29). Hoewel een Romeins beambte, was hij “een Hebreeër uit de Hebreeërs” en waarschijnlijk uit Galiléa, hoewel wij niet weten uit welke stad of stam. Vóór zijn roeping om de Messias te volgen, was hij een tollenaar, of belastinginner onder de Romeinen. Hij schijnt gevestigd geweest te zijn te Kapernaüm, een stad aan de zee van Galiléa. Hij was, wat wij zouden noemen, een tolbeambte. In deze hoedanigheid vond Jezus hem. En voorbijigaande zag Hij hem “aan het tolhuis zitten en zei tot hem: Volg mij. En hij stond op en volgde Hem”. Maar voor wij met zijn geschiedenis verder gaan, wensen wij iets te zeggen over de aard van zijn betrekking, daar hiervan zo dikwijls sprake is in het Nieuwe Testament, en zij zelfs tot een symbolische uitdrukking geworden is.

De zogenaamde tollenaars waren personen, die de belastingen of inkomsten van de Romeinen pachtten. over het algemeen waren het mensen van rijkdom en aanzien. Onder de Romeinen golden zij voor achtbare personen, en de betrekking van belastinginner of ontvanger werd dikwijls opgedragen aan Romeinse ridders. Sabinus, de vader lan keizer Vespasianus, was, zoals men zegt, de “tollenaar” van de Aziätische gewesten. Onder hen stonden mindere beambten, die merendeels uit de provincies waren, al waar de belasting geheven werd; tot deze mindere beambten behoorde Mattheüs, zonder twijfel.

Deze geringere beambten waren algemeen bekend vanwege hun bedriegelijke afzetterij; maar voor de Joden waren zij bijzonder gehaat. Zij beschouwden zichzelf als een vrijgeboren volk, dat dit voorrecht rechtstreeks van God zelf ontvangen heeft. “Wij zijn Abraham’s ‘zaad’”, zo roemden zij, “en hebben nooit iemand gediend”. Daarom waren de Romeinse belastingheffers het zichtbaar bewijs van hun dienstbaarheid en van de vernederde toestand, waarin zij als natie verkeerden. Dit was de keten die hen schreinde, en tot menige daad van oproer prikkelde tegenover de Romeinen. Hierdoor waren tollenaren bij de joden verfoeid. Zij beschouwden hen als verraders en afvalligen, en als bereidwillige werktuigen van hun verdrukkers. Bovendien waren de tollenaars zeer willekeurig en onrechtvaardig in hun heffingen; en omdat zij de macht aan hun zijde hadden, konden zij tot betaling noodzaken. Zij hadden het recht om alle goederen, die uit- of ingevoerd werden, te onderzoeken, en de opgegeven waarde op de willekeurigste wijze te verhogen. Uit hetgeen Johannes de doper tot hen zei, mogen wij afleiden dat zij zo dikwijls zij daartoe kans zagen, de voorwerpen zwaarder zochten te belasten: “En Hij zei tot hen: Vordert niet meer dan u voorgeschreven is” (Lukas 3:13). Zie ook de geschiedenis van Zacheüs (Lukas 19:1-10).

Al deze omstandigheden waren zeker meer dan genoeg om het gehele tollenaarspersoneel overal verachtelijk te maken. Wij willen ons echter bepalen tot hetgeen wij hen aangaande in het Nieuwe Testament leren. De Geest van de waarheid vergroot of overdrijft niets. Daar vinden wij hen gerangschikt bij de zondaars (Mattheüs 9:11; 11:19); bij de hoeren (Mattheüs 21:31-32); bij de heidenen (Mattheüs 28:17). Als geheel waren zij uitgesloten, niet alleen van de voorrechten van het heiligdom, maar ook van de burgerlijke samenleving. En toch, niettegenstaande alles wat zij in hun nadeel hadden, waren enige van de eerste discipelen, zowel van Johannes de doper als van de Heer, uit hun rijen voortgekomen. Zij waren minder huichelachtig dan zij, die zich beter achtten. Zij bezaten geen algemeen geijkte zedelijkheid, en hadden geen schijngodsdienst af te leggen. Dit alles kan bewezen worden uit de gelijkenis van “de farizeeër en de tollenaar” (Lukas 18:9-14). In het oog van anderen “een goed mens” te zijn is een grote hinderpaal om zich als “een zondaar” te laten behouden. Het is voor zulken moeilijk de plaats in te nemen van een verlorene, zodat de genade haar vrije loop nemen en haar behoudende werking uitoefenen kan. Die door God gerechtvaardigd wil worden, moet de plaats van de tollenaar innemen, en het gebed van de tollenaar leren: “O God! wees Mij zondaar genadig”. – Nu keren wij weer naar de geschiedenis van de apostel terug.

Met grote bereidwilligheid gehoorzaamde Mattheüs aan de roeping van Jezus. Zijn winstgevende betrekking gaf hij dadelijk op; en zijn bekering, zo grondig en openbaar, ging vergezeld van veel zegen voor anderen. Er was een grote ontwaking en belangstelling onder de lieden van zijn soort. “En Levi richtte een grote maaltijd voor Hem aan in zijn huis; en er was een grote schare van tollenaars en van anderen, die met hen aanlagen” (Lukas 5:29). Een feestmaaltijd is het beeld van vreugde en blijdschap – het onmiddellijk gevolg van de overgave van het hart aan Christus. Het is opmerkenswaard, dat hij in zijn eigen evangelie verwijst naar hetgeen hij was, en dat geen van de andere evangelisten spreekt van “Mattheüs de tollenaar”. Met de anderen was hij tot de twaalven uitgekozen, en volgde hij ook de Heer. Heerlijk voorrecht! Een vertrouwelijk verkeer te hebben met de persoon van de Heer, aanschouwer te zijn van Zijn openbaar en bijzonder leven, Zijn gesprekken aan te horen, Zijn wonderen gade te slaan, getuige te zijn van Zijn opstanding en Zijn heenvaren in de heerlijkheid! Mattheüs was bij de andere apostelen op de pinksterdag, en ontving de gave van de Heilige Geest. Ons wordt niet gezegd, hoe lang hij daarna nog in Judéa vertoefde. Men gelooft, dat zijn evangelie het eerst geschreven werd, en het is duidelijk dat het een Israëlitische strekking heeft.

Ethiopië zegt men, dat de streek zijn apostolische werkzaamheid geweest is. Hij zou daar door prediking en wonderen de overwinning behaald hebben over dwaling en afgoderij, en werd het middel tot bekering van velen, stelde geestelijke leidslieden en herders aan om hen te bevestigen en op te bouwen, en anderen tot het geloof te brengen, en eindigde daar zijn loop. Maar de bronnen, waaruit dit alles geput wordt, zijn niet betrouwbaar.

Wordt D.V. vervolgd.

NOOT:
1. Nahum was o.a. geboren te Elkos in Galiléa

Oorspronkelijke titel: Church History

Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes

In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol