11 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (12)

Dit gedeelte laat ons het apostelschap van Paulus zien. Een apostelschap dat niet in verbinding met Jeruzalem stond, maar helemaal daarbuiten. Ook zijn roeping onderscheidt hem van de ‘twaalven’. Omdat het apostelschap van Paulus in vele opzichten verschilt van dat van de twaalven, zal het noodzakelijk zijn dit kort na te gaan. Tenzij dit verschil verstaan wordt, kan de wezenlijke aard van de tegenwoordige bedeling maar gedeeltelijk begrepen worden …

Deel 1: 32 – 814 n. Christus

Het apostelschap van Paulus

De wet en de profeten waren tot op Johannes; na Johannes bood de Heer zelf in Zijn eigen persoon aan Israël het koninkrijk aan; doch “de Zijnen hebben Hem niet aangenomen”. Zij kruisigden de Vorst van het Leven. God echter wekte Hem op uit de doden, en zette Hem aan Zijn rechterhand in de hemel. Dan volgen de twaalf apostelen. Zij worden begiftigd met de Heilige Geest, en geven getuigenis van Christus’ opstanding. Doch het getuigenis van de twaalven wordt verworpen, de Heilige Geest weerstaan, Stéfanus gestenigd, het laatste aanbod van genade van de hand gewezen, en thans houden de rechtstreekse bemoeiingen van de Heer met Israël als volk voor een tijd op. De tonelen van Silo worden herhaald, Ikabod wordt geschreven op Jeruzalem, en een nieuwe getuige geroepen, als in de dagen van Samuël.

De grote apostel van de volken treedt nu voor ons op. Hij is als ‘t ware een ontijdig geborene, daar hij de Heer gezien, had, nadat de hemelvaart reeds had plaats gevonden. Zijn apostelschap is niet in verbinding met Jeruzalem of met de twaalven, maar ligt geheel daar buiten. Zijn roeping was van buitengewone aard en rechtstreeks, door de Heer in de hemel. Hem valt het voorrecht te beurt het hemels karakter van de gemeente voor te stellen, namelijk dat Christus en de gemeente één zijn, en dat de hemel hun gemeenschappelijke woonplaats is (Efeze 2). Zo lang God nog bemoeienissen met Israël had, werden deze heerlijke waarheden verborgen gehouden in Gods eigen hart. “Mij, de allergeringste van alle heiligen, is deze genade gegeven om de onnaspeurlijke rijkdom van Christus onder de volken te verkondigen, en in het licht te stellen wat het rentmeesterschap is van de verborgenheid die van alle eeuwen verborgen was in God, die alle dingen geschapen heeft” (Efeze 3:8-9).

De aard van de roeping van de apostel laat geen twijfel over aangaande haar goddelijk gezag. “Niet vanwege mensen, ook niet door een mens, maar door Jezus Christus en God, [de] Vader, die Hem uit [de] doden heeft opgewekt …”, zoals hij zegt in Galaten 1:1. Dat wil zeggen: zijn roeping had haar oorsprong niet van mensen, en kwam ook niet tot hem door bemiddeling van een mens. Hij was niet alleen een gelovige, maar een geroepen apostel; en die roeping was door Jezus Christus en God, de Vader, die Hem uit de doden had opgewekt. In sommige opzichten was zijn apostelschap zelfs van een hogere orde dan dat van de twaalven. Zij waren geroepen door Jezus, toen Hij op aarde was; hij was geroepen door de opgestane en verheerlijkte Christus in de hemel. En zijn roeping aldus van de hemel zijnde, had hij de wettiging of erkenning van de andere apostelen niet nodig. “Maar toen het God … behaagde Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de volken verkondigde, ging ik terstond niet te rade met vlees en bloed en ging ook niet op naar Jeruzalem tot hen die vóór mij apostelen waren; maar ik ging weg naar Arabië en keerde weer terug naar Damaskus” (Galaten 1:16,17).

De roeping van Paulus tot apostel

De wijze, waarop Paulus geroepen werd tot apostel, is bijzondere aandacht waard, daar zij de wortel raakte van de joodse nationale trots, en aldus kan beschouwd worden als de genadeslag aan het ijdele denkbeeld van een apostolische successie. De apostelen die de Heer had gekozen en aangesteld, terwijl Hij nog op aarde was, waren noch de bron noch het kanaal van de aanstelling van Paulus. Zij wierpen niet het lot over hem gelijk over Matthias. Toen waren zij nog half op joodse bodem, waaruit de beslissing door het lot te verklaren is. Dit was een oude vorm in Israël, om in dergelijke zaken de wil van God te leren kennen. Doch deze nadrukkelijke woorden: “niet vanwege mensen, ook niet door een mens, maar door Jezus Christus” sluiten geheel en al de tussenkomst buiten van de mens onder elke vorm en op elke wijze. Apostolische opvolging komt niet in aanmerking. Wij zijn gelovigen, niet door opvolging, maar door roeping; en wij zijn dienstknechten evenzeer niet door opvolging, maar door roeping. En die roeping moet uitgaan van de hemel. Paulus staat voor ons als het zuivere model voor alle predikers van het evangelie, en voor alle dienaars van het Woord. Niets kan eenvoudiger zijn dan de grond, die hij inneemt als prediker, hoezeer hij ook de grootste apostel was. “Daar wij nu dezelfde geest van het geloof hebben, volgens wat geschreven staat: ‘Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken, zo geloven ook wij, daarom spreken wij ook” (2 Korinthe 4:13).

Onmiddellijk nadat hij gedoopt was, begon hij zijn geloof in Jezus te belijden, en in de synagogen te prediken, dat Hij de Zoon van God is. Dit is iets nieuws. Petrus predikte dat Jezus aan de rechterhand van God verhoogd, en tot een Heer en Christus gemaakt was; doch Paulus predikt de verhevener leer van Zijn persoonlijke heerlijkheid – “dat Hij de Zoon van God is”. In Mattheüs 16 wordt Christus door de Vader aan de discipelen geopenbaard als “de Zoon van de levende God”. Nu echter wordt Hij niet alleen geopenbaard aan Paulus, maar in Paulus. “Het behaagde God Zijn Zoon in mij te openbaren”, zo spreekt hij. Doch wie zal vermogen uit te spreken de voorrechten en zegeningen van hen, aan wie de Zoon van God aldus geopenbaard is. De waardigheid en veiligheid van de gemeente rusten op deze heerlijke waarheid, zoals ook het evangelie van de heerlijkheid, dat bijzonder aan Paulus was toevertrouwd en dat hij “mijn evangelie” (Romeinen 2:16) noemt.

Aan de Zoon, dus inwendig geopenbaard, hangt alles wat er bijzonder is in de roeping en heerlijkheid van de gemeente – haar heilige voorrechten; aanneming in de Geliefde met vergeving van de zonden door Zijn bloed; inleiding in de schatten van wijsheid en kennis, waardoor ons de verborgenheid van de wil van God wordt meegedeeld; toekomstige erfenis in en met Hem, in Wie alle dingen in hemel en op aarde te zamen vergaderd zullen worden; en het tegenwoordige zegel en onderpand van deze erfenis is de Heilige Geest. De heerlijke samenvatting van deze voorrechten wordt aldus door de apostel beschreven: “alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten”, en ook zijn het zegeningen door de Geest, komende van en ons verbindende met de Heer in de hemel (Efeze 1).

De leer echter aangaande de gemeente was niet geopenbaard, voordat Paulus ze in het licht stelde. De Heer had er van gesproken als iets, dat zou worden uitgewerkt door de tegenwoordigheid van de Trooster. “In die dag zult gij erkennen dat Ik in Mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u” (Johannes 14:20). En wederom, toen Hij na Zijn opstanding tot de discipelen zei: “Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, naar Mijn God en uw God” (Johannes 20:17). Van de schitterende lijst van hemelse zegeningen was Paulus in het bijzonder en op eigenaardige wijze de apostel.

Wij moeten nu voor een poosje de geschiedenis van Paulus afbreken, en tot Petrus terugkeren die op de voorgrond staat, totdat Paulus in Handelingen 13 zijn openbaar dienstwerk aanvangt.

Wordt D.V. vervolgd.

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes

In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

 

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol