4 maanden geleden

Afhankelijkheid in het leven van Jezus (25)

Gebed en discipelschap

“En het gebeurde, toen Hij alleen in gebed was, dat de discipelen bij Hem waren … Hij nu waarschuwde hen …, en zei: De Zoon des mensen moet veel lijden en verworpen worden” (Luk. 9:18,22).

Na de dienst in het openbaar – bij de spijziging van de 5000 – toont Lukas ons de afhankelijke Mens opnieuw in gebed, waar Hij de gemeenschap en de wil van God zoekt. Brood en vis konden het verlangen van Zijn hart niet stillen. Zijn spijs was om de wil van Zijn Vader te doen en Zijn werk te volbrengen.

In hoofdstuk 9 vers 18 begint een nieuwe gedeelte in dit evangelie. Hoewel Jezus, als de HEERE van het Oude Testament, Zijn volk voorziet van brood (Ps. 132:15), wordt Hij toch door de massa van het volk als Messias verworpen. Vanaf dat moment neemt Hij onder gebed de plaats van verwerping in en spreekt Hij voor het eerst openlijk met Zijn discipelen over het lijden dat Hem in Jeruzalem wacht. Vanaf nu moeten de discipelen Hem niet meer als de Christus van God verkondigen. Zijn pad leidde door lijden heen tot heerlijkheid – en dat is ook de weg van een ieder die Hem vandaag volgen wil (Luk. 9:23)!

Alleen dán kunnen we onszelf verloochenen, dagelijks ons kruis opnemen en de Zoon van God volgen als we onze dagelijkse afhankelijkheid van Hem in gebed verwerkelijken. De genade en kracht die we nodig hebben om een afgewezen Christus te volgen, vinden we in de praktische gemeenschap met God. Als we deze gemeenschap in gebed niet praktiseren en uitleven, wordt het navolgen óf een lege routine óf iets dat we in eigen kracht proberen te doen, wat wederom vaak in een wettische dwang uitmondt. Daarom is ons gebedsleven, juist met het oog op de dagelijkse navolging, zo van fundamenteel belang.

Consequent discipelschap is onder andere ook met weerstand van de wereld verbonden. “En ook allen die godvruchtig willen leven in Christus Jezus zullen vervolgd worden” (2 Tim. 3:12). Hoe belangrijk is het dat we samen als christenen – als één man – optrekken. Als broeders en zusters in Christus en discipelen van de Heer Jezus kunnen we samen bidden en elkaars handen ten goede versterken. In plaats van elkaar te bijten en op te eten (Gal. 5:15) en als eenzame strijders door het leven te gaan, wil God dat we liefde voor elkaar hebben en één van hart en één van ziel zijn. In die tijd, toen de eerste christenen van buitenaf bedreigd werden, dreef hen dat aan tot gezamenlijk gebed, waar ze eendrachtig hun stem tot God verhieven (Hand. 4:24). Gebed drijft naar elkaar toe. Hoe wonderbaarlijk heeft God daarop geantwoord!

Is het navolgen van de Heer Jezus een dwang of een voorrecht voor ons (zie Hand. 5:41; Fil. 1:29)? Halen wij de kracht voor het dagelijks navolgen uit het gebed? Hoe toont onze liefde zich aan degenen, die uit God geboren zijn en tot de familie van God behoren? Zijn wij bewust op zoek naar gemeenschappelijk gebed met andere discipelen van de Heer?

Online in het Duits sinds 16.05.2017.

Jan Philip Svetlik, © www.bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol