3 jaar geleden

4. De Bijbel: Een eenheid (I)

Hoewel er meer dan veertig schrijvers, uitgevers, etc. aan de Bijbel hebben meegewerkt, en hoewel de zesenzestig boeken die deel uitmaken van de Bijbel een ongelooflijk veelzijdige inhoud hebben, vormt de Bijbel ondanks dat een eenheid. Ze kan worden vergeleken met het menselijk lichaam, dat uit vele ledematen en organen bestaat toch onmiskenbaar een eenheid vormt.

1. Zowel de veelzijdigheid van de Bijbelboeken als ook haar eenheid worden in de Bijbel met een bepaalde uitdrukking aangegeven. In verband met het eerste aspect wordt van “de Schriften” gesproken. Zo zegt de Heer Jezus: “hebt u nooit gelezen in de ………………………….… (Matth. 21:42). En in Mattheüs 22 vers 29: “U dwaalt, omdat u ………….……………………. niet kent en ook niet de kracht van God”.

2. Verder lezen wij in Mattheüs 26 vers 54 de vraag van onze Heiland: “Hoe zouden anders …………………………………….. vervuld worden, die zeggen dat het zo geschieden moet?”

Vers 56 laat zien, dat de Heer daarbij bezonder aan de Schriften die ……….……………………… denkt (zie ook Mark. 14:49). Uit deze woorden wordt duidelijk hoe vast en veilig de dingen zijn, die in de Schriften worden beschreven.

3. Over de Emmaüs-discipelen wordt in Lukas 24 gezegd, dat de Heer a) hen ………………… al wat in de Schriften over Hem (vs. 27) geschreven was; b) hen de Schriften ……………. (vs. 32); c) hun verstand opende zodat zij de Schriften ……………………… (vs. 45);

4. Van Apollos word in Handelingen 18 Vers 24b gezegd, dat hij ……………………………………. was op het gebied van ………………………..; Ook dat hij uit de Schriften bewees “dat ….………………. is” (vs. 28). En Paulus zette de Joden uit Thessalonica uiteen vanuit de Schriften (Hand. 17:2-3) “dat de Christus …………………… ……………………….”.

De Joden in Berea ontvangen lof omdat zij:

a. ……………………………..…….………………;

b. …………………………………………………….; (zie: Hand. 17:11).

5. Paulus stelde de Korinthiërs, die door een dwaalleer werden beïnvloed, het volgende voor: “dat Christus gestorven is voor onze zonden ……………………………………………………….; “en dat Hij begraven is, en dat Hij opgewekt is op de derde dag ………..………………………………” (1 Kor. 15:3-4).

6. Dat de Schriften, waaruit de Bijbel bestaat, door een heel ander karakter gekenmerkt zijn dan alle andere literaire producten, wordt duidelijk door de naam “heilige Schriften”. Paulus schrijft dat het evangelie van God tevoren beloofd was door de profeten in ………………………………………… (Rom. 1:2).

Van Timotheüs lezen wij dat hij “van jongs af ……………………………………………………………, die u wijs kunnen maken tot ………………………” (2 Tim. 3:………).

“Heilig” betekent “afgezonderd”; de Schriften kunnen zijn daarom afgezonderd van de andere geschriften en zijn niet gelijk aan hen.

7. Het tweede aspect, de eenheid van de Bijbel, wordt duidelijk uit de uitdrukking “de Schrift”. Echter, we moeten niet vergeten dat met deze uitdrukking ook een schriftelijke kennisgeving kan zijn bedoeld. De Meestal wordt dan van “op schrift stellen” gesproken.

Zo lezen we in Jesaja 38 vers 9: “………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………………………………

………………….…………………………………………………………………………………………………”.

8. Daarenboven wordt de uitdrukking “Schrift” gebruikt om daarmee de heilige  Schriften aan te geven. Daarbij worden drie mogelijkheden onderscheiden. Eerst wordt de aandacht gevestigd op een bepaalde tekst uit de Schriften. Zo lezen we in Markus 12 vers 10: ” ……………….……………… ………………………………………………………………………………………………………………………..……………………………………………………………………………………………………………”.

9. Ten tweede wordt “Schrift” gebruikt, wanneer aan een getuigenis uit het Oude Testament gedacht wordt, zonder dat uit de tekst wordt geciteerd. Een voorbeeld hiervan geeft ons Johannes 17, vers …………………..: “opdat de ……………………….. vervuld wordt” en Johannes 20 vers …………….: “. Want kenden zij de …………………… nog niet dat Hij uit de doden moest opstaan” (zie ook Joh. 7:38 en 1 Tim. 5:18).

10. Dat de Joden deze uitdrukking “Schrift” ook gebruikten, blijkt uit Johannes 7 vers 42. Hun uiting toont aan dat zij niet wisten dat Jezus van Nazareth in ………………….. geboren zou worden.

11. Ten derde wordt deze term in het algemeen gebruikt, op dezelfde manier als wij over “de Bijbel” spreken. In deze zin staat in Johannes 2 vers 22 over de discipelen: “… en geloofden zij ………………………….. en het woord dat Jezus gesproken had”. Ook in Johannes 10 Vers 35 is dat zo. Daar lezen wij: “tot wie …………..……… kwam, en aangezien …………………………..…. niet gebroken kan worden”.

12. De apostel Paul gebruikt de uitdrukking ‘Schrift’ op een unieke wijze. Hij presenteert de Schrift als een persoon voor, die “voorzag” en “die alles onder de zonde opgesloten heeft”. Zie Galaten 3 vers ..…….. en …………. (vgl. Rom. 9:17).

13. Dat de vele geschriften samen “de Schriften” vormen, hangt daarmee samen, dat zich achter de vele schrijvers één schrijver verschuilt. De “heilige mannen van God” werden namelijk gedreven door de ………………………………………………………. (2 Petr. 1:20-21).

14. Welk woord uit 2. Timotheüs 3 vers 16 geeft deze inspiratie ook aan? ………………………………

* * *

Wilt u, wil jij ook meedoen? Vul de bon onderaan les 1 in en mail dan de antwoorden van de lessen (maximaal 1 les per 14 dagen) naar het volgende email-adres: frissewateren@ctmax.nl Wilt u wel duidelijk en volledig aangeven waar u de antwoorden vandaan hebt! Hebt u, heb jij vragen: Stel ze gerust. Ik wil graag uw vragen proberen te beantwoorden vanuit de Bijbel, het Woord van God.

* * *

© Bibelkurs.com

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol