11 jaar geleden

1 Thessalonika 4 (10)

In dit hoofdstuk gaat de apostel met het thema van het voorgaande gedeelte zonder onderbreking verder. Daarbij gaat hij ook het in onze tijd zo actuele onderwerp ‘hoererij’ niet uit de weg. ‘Porno’ is vandaag in. Wat zegt God hierover?

1 Thessalonika 4:1-3

A. Inleiding tot hoofdstuk 4

In dit hoofdstuk gaat de apostel met het thema van het voorgaande gedeelte zonder onderbreking verder. Hij wenste, dat God de Vader en de Heer Jezus de Thessalonikers in de LIEFDE overstromend maakten en hun harten daardoor in HEILIGHEID bevestigd werden. Hij had beide met de komst van de Heer in verbinding gebracht en daarmee het doel van de heiligheid en liefde op het oog gehad; wanneer het ogenblik daar zal zijn, zullen alle gelovigen daarin volkomen zijn.

Wij hebben al in de inleiding van deze brief vastgesteld, dat dat Paulus in elk hoofdstuk van deze brief de komst van de Heer noemt. Dat geeft aan deze brief een bijzondere betekenis. De meeste ruimte neemt dit thema in in het hoofdstuk waarmee we ons nu bezig houden. Daarmee komen we tot de kern van de brief. De apostel maakt de ontvangers zeer uitvoerig met de bijzonderheden van deze komst bekend.

B. Indeling hoofdstuk 4

  1. HEILIGHEID van de gelovigen met het oog op zedelijke onreinheid (vers 1-8);
  2. Nog eens de BROEDERLIEFDE (vers 9-10);
  3. Een rustige wandel en het arbeiden voor eigen behoeften (vers 11-12);
  4. Een antwoord op de vragen van de Thessalonikers met betrekking tot de ontslapenen in verbinding met de komst van de Heer (vers 13-18).

C. Uitleg hoofdstuk 4

Vers 1: “Overigens nu, broeders, vragen en vermanen wij u in [de] Heer Jezus, dat, zoals u van ons hebt ontvangen hoe u moet wandelen en God behagen, zoals u ook wandelt, u daarin nog meer zult toenemen”.

In het vorige hoofdstuk heeft de apostel over zijn wens gesproken, dat de harten van de jonge gelovigen in heiligheid bevestigd zouden worden. Nu laat hij hen weten, dat het anderzijds hun eigen verantwoordelijkheid was, op dit punt mee te werken. Hij spreekt een vraag en vermaning in de Heer Jezus uit, dat betekent in Zijn Naam of Zijn autoriteit. Ze hebben Hem als hun Heer aangenomen, nu, dan moesten ze ook weten wat Hij van hen verwachtte.

Zoals u van ons hebt ontvangen: En wat de Heer van hen verwachtte, was hetzelfde wat de apostel en zijn begeleiders hen al gezegd hadden, toen zij bij hen waren. Ze hadden namelijk niet alleen over hun eeuwige behoudenis (heil) tot hen gesproken, maar ook over het leiden van hun leven als wedergeboren Christenen. En daaroe behoorden onderwerpen als een geheiligd leven met het oog op zedelijke onreinheid, het gedrag ten opzichte van elkaar als gelovigen, goede opvattingen over het werk en een goed getuigenis tegenover de wereld. Natuurlijk hebben ze toen vanwege de korte tijd alleen in het algemeen kunnen spreken. Er waren nog vele bijzonderheden aan te vullen.

Hoe u moet wandelen en God behagen: Deze wandel begint op het ogenblik van de bekering. En zoals de bekering een persoonlijke zaak tussen een mens en God is, zo blijft ook de leiding van zijn leven in de eerste plaats een zaak tussen hem en God. De vraag is: Heeft GOD behagen in uw en mijn leven? Het is de uitdrukkelijke wens van de Heer voor ons, voorzover wij Hem kennen, dat wij ons leven zo leiden dat God vreugde daarin heeft. De Heer heeft Zelf eens gezegd dat Hij altijd deed wat de Vader welbehagelijk was (Johannes 8:29). En dat wenst Hij ook van ons.

Herinnert u zich nog, hoe zich de bekering bij de Thessalonikers voltrokken had (hoofdstuk 1:9-10)?

  1. Ze hebben zich van de afgoden tot God bekeerd;
  2. dienden voortaan de levende en waarachtige God;
  3. verwachten Zijn Zoon uit de hemelen.

Paulus verklaart hier schriftelijk aan het begin van dit hoofdstuk nog eens, dat hun wandel God welgevallig was. Maar hij wenste, dat ze daarin nog meer zouden toenemen. Hij was er niet tevreden mee, dat zij op hetzelfde niveau bleven staan. Ook hier geldt dat stilstand achteruitgang is.

Vers 2: “Want u weet welke bevelen wij u hebben gegeven door de Heer Jezus”.

Welke bevelen wij u hebben gegeven: Hebben wij dan nog met geboden en voorschriften te maken? Hoe zijn dan de geboden te verenigen met het Christendom? Zij behoren toch uitsluitend tot de tijd van de wet in het Oude Testament, of…?

Het Griekse woord dat hier voor “geboden” gebruikt wordt, betekent ook “aankondiging, bericht, aanwijzing, bevel, leer, onderricht”. Wanneer iemand tot geloof komt, dan verlaat hij het machtsgebied van de satan en de zonde waar hij zich tot op dat moment bevond, en erkent de autoriteit van Jezus als zijn Heer. Wie gered wil worden, moet JEZUS als zijn Heer belijden (Romeinen 10:9). Bovendien is hij door een hoge prijs gekocht (1 Korinthe 6:20). Het is dus een heel natuurlijk gevolg, wanneer gelovigen nu ook op de aanwijzingen (geboden) van de Heer Jezus acht geven en deze nauwkeurig opvolgen. Daarom heeft de Heer Jezus de apostel daartoe gebruikt het Woord van God te schrijven, opdat wij weten hoe wij ons leven leiden moeten.

Daarbij is het goed te bedenken, dat de Heer ons weliswaar over alle belangrijke dingen van het leven en het dienen Zijn gedachten meegedeeld heeft, maar dat er veel ongeordende punten zijn waarover Hij geen uitdrukkelijke aanwijzingen gegeven heeft. Dat was niet een vergissing, maar het was duidelijk zijn bedoeling, dat wij op zulke punten onder gebed en de leiding van Zijn Geest Zijn wil (onder)zoeken.

Bij dat al willen we er niet aan voorbijgaan, dat de Heer Jezus ons Zijn Woord gegeven heeft, opdat een welgevallen aan ons hebben en ons door het handelen volgens Zijn Woord zegenen kan. Aan de ene kant zijn wij discipelen van Jezus en onderdanen in het rijk van God, waardoor de apostelen zich steeds weer knechten van Jezus noemden; aan de andere kant zijn wij in een verhouding van innige liefde tot de Heer Jezus gebracht, waardoor Hij het ons gemakkelijk maakt, Hem te gehoorzamen.

Vers 3: “Want dit is [de] wil van God: uw heiliging, dat u zich onthoudt van de hoererij;”.

De wil van God en het gebod van de Heer is onze heiligheid1. Heiliging is de actieve afzondering van alles, wat ons verontreinigt en hindert God gewijd te leven. Het verband maakt hier duidelijk dat de apostel op deze plaats aan verontreinigingen door een bepaalde zonde denkt: de hoererij.Een onzedelijke levenswandel was voor de Thessalonikers vroeger “normaal”. Zij moesten daarom op dit punt volledig anders denken. Er waren onder hen geen Christenen die al door langere ervaring of zelfs een goede opvoeding in dit opzicht als voorbeelden voor jongere Christen hadden kunnen dienen.

Hoererij: De zonde van de hoererij is in het Nieuwe Testament elke geslachtsgemeenschap buiten het huwelijk. Het Griekse woord daarvoor is porneia, waarvan het woord “pornografie” afgeleid is. We willen daarom dit samenhangend geheel (complex) in zijn toepassing niet te eng nemen, maar elke soort van onreinheid mee insluiten, zonder de verschillende terreinen afzonderlijk te noemen. We bevinden ons als Christenen vandaag in een wereld, waar een bijna onbegrensde vrijheid van opvatting gepropageerd wordt. Aan deze ontwikkeling neemt niet als maatstaf dienend de massamedia deel.

Jonge mensen die rein in het huwelijk wensen te gaan, halen zich vaak de spot van hun medescholieren en collega’s van het werk op de hals. Voorbehoedsmiddelen worden in scholen kosteloos afgegeven2. De lessen over seksualiteit gebeuren in de scholen niet zelden op een onwaardige wijze. Hoe vele jongen mensen zullen er door dit soort gevaren op een afglijdende weg gekomen zijn!?

Laten we de verzen, zoals de apostel Paulus deze de jonge gelovigen in Thessalonika geschreven heeft, biddend overdenken en ter harte nemen. Heiliging is de voorwaarde voor een ongestoorde gemeenschap met God en geestelijke groei. Banden en ontbrekende zelfbeheersing zijn een sterke remschoen en verhinderen een God welgevallig leven.

We hebben vroeger al gezien, dat heiliging bovendien de morele voorbereiding op de komst van de Heer Jezus is (vergelijk Hebreeën 12:14; 1 Johannes 3:3). En dat schijnt mij ook de reden te zijn, waarom de apostel juist in dit hoofdstuk zulke duidelijke woorden daarover spreekt, nog vóór hij op de details van de begeleidende omstandigheden bij de komst van de Heer ingaat.

NOTEN:
1. Het hier met “heiligheid” vertaalde woord hagiasmos betekent vooral het actieve heiligingsproces in het leven van een gelovige, die de praktsiche heiligheid in het leven als gevolg heeft; vandaar kan men hier beter vertalen: heiliging, geheiligd zijn. Hagiasmos komt ook voor in 1 Thessalonika 4:4,7; 2 Thessalonika 2:13. Het algemene woord voor “heiligheid” is hagiosyne en komt voor in 1 Thessalonika 3:13.
2. Dit scheen in Duitsland het geval te zijn. Hoe het in Nederland is op dit gebied is mij niet bekend. [noot vertaler].

Werner Mücher, © Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol