11 jaar geleden

1 Thessalonika 3 (9)

De verwachting van de komst van de Heer Jezus is de eigenlijke drijfveer tot heiligheid. Daarin komt onder andere onze liefde tot Hem tot uitdrukking … Deze heiliging is de morele voorbereiding op Zijn komst. Wie Hem bij Zijn komst begeleiden, zijn heiligen …

1 THESSALONIKA 3:11-13

Vers 11: “Maar onze God en Vader Zelf en onze Heer Jezus Christus moge onze weg tot u banen!”

In vers 11-13 vat de apostel de wensen van zijn hart samen. Deze verzen zijn bijna een gebed.

God, de Vader Zelf, en de Heer Jezus moesten de weg banen, dat zij de Thessalonikers zien zouden. Paulus was zich bewust, dat God, de Vader, en de Heer Jezus in hun hulp voor deze gelovigen volledig één waren. Daarom legde hij de wens naar een weerzien in Hun handen. Hij vermoedde hier nog niet dat het nog vijf tot zes jaar duren zou.

Vers 12: “Maar u moge de Heer doen toenemen en overvloedig zijn in de liefde tot elkaar en tot allen, zoals ook wij tot u;”.

Zijn volgende wens was, dat onder de gelovigen deze hartelijke liefde tot elkaar en tot allen (mensen) verder toenemen zou. Als voorbeeld noemde de apostel zichzelf en zijn medearbeiders (zie hoofdstuk 2:7-12).

Deze liefde moest de Heer bij hen aanwakkeren. Hij moest hen daarin overvloedig daarin maken, dat betekent, de liefde vergroten, groeien laten, zo dat ze tenslotte overstromen zou. Of deze wens van de apostel voor ons vandaag minder belangrijk is? Hebben wij ook niet een hartelijke liefde nodig onder elkaar? We leven in een tijd waarin het begrip liefde uitgehold is. Laten wij onszelf eens in gebed voor God onderzoeken, of bij ons de liefde van onbaatzuchtige liefde voorhanden is. Wanneer er vandaag een opwekking onder Christenen moet zijn, zo heeft zij zeker onder andere ook hier haar uitgangspunt.

Paulus had de mensen lief, voordat zij geloofden. Hij had een brandende liefde tot de verlorenen. We willen ons herinneren dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaren en vijanden van God waren (Romeinen 5:6-8).

Vers 13: “… opdat Hij uw harten versterkt om onberispelijk te zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Heer Jezus met al zijn heiligen”.

We stoten in dit vers op een zeer betekenisvol principe; daarom willen we nog eens de hoofdpunten uit vers 12 en 13 bekijken: “Maar u moge de Heer doen toenemen en overvloedig zijn in de liefde …, opdat Hij uw harten versterkt om onberispelijk te zijn in heiligheid”. Het principe luidt: LIEFDE voert tot HEILIGHEID. Niet omgekeerd! Liefde schept namelijk een atmosfeer van verbondenheid. Zij is de eigenlijke voedingsbodem voor heiligheid1. Liefde bevordert een positieve afzondering tot en toewijding aan God.

Heiligheid zonder werkelijke liefde tot God is farizeïsch. Liefde tot God is gekoppeld aan een afschuw tegenover de zonde. Heiligheid groeit daar, waar liefde in het midden van de brusters voorhanden is. Waar geen liefde is, verdwijnt de heiligheid. In plaats van de liefde komt dan haat, strijd en tweedracht, ja, daar worden alle afschuwelijke zonden van het vlees gevonden, zoals ze in Galaten 5:19-21 opgesomd worden.

Heiligheid is weliswaar allereerst een persoonlijke zaak, maar ze is ook een gemeenschappelijke zaak. Doordat de apostel hier de heiligheid met de komst van de Heer tezamen met al Zijn heilige in verbinding brengt, wordt duidelijk dat hij daarbij in het bijzonder het gemeenschappelijke gezichtspunt voor ogen heeft.

De apostel behandelt hier de heiligheid als een voortschrijdend proces, dat op het ogenblik dat de Heer Jezus terugkomt, afgesloten is. Dan zullen wij voor onze God en Vader staan en volledig met Zijn wezen, dat LICHT en LIEFDE is, overeenstemmen (1 Johannes 1:5; 4:8,16).

Overigens is de verwachting van de komst van de Heer Jezus – en daarin komt onder andere onze liefde tot Hem tot uitdrukking – de eigenlijke drijfveer tot heiligheid (1 Johannes 3:1-4). Deze heiliging is de morele voorbereiding op Zijn komst. Wie Hem bij Zijn komst begeleiden, zijn heiligen.

Bij de komst van onze Heer Jezus: Het begrip “komst” komt in deze brief meer dan eens voor (2:19; 4:15; 5:23). Het Griekse woord daarvoor is parousia. Het heeft meerdere betekenissen: “Tegenwoordigheid, aanwezigheid, aankomst, komen”. Het dekt een uitgebreider gebied dan het woord “aankomst”. Wanneer een persoon aankomt, moet hij vóór die tijd komen, en dan is hij tegenwoordig of aanwezig. Bij de komst van de Heer gaat het gaat het dus niet alleen om het tijdstip van Zijn komst, maar vooral om Zijn aanwezigheid. Nu heeft nog niemand van ons de Heer in de ogen gezien, doch spoedig komt de tijd, waar wij Hem zien zullen, om altijd in Zijn tegenwoordigheid te zijn.

Met al Zijn heiligen: Wanneer Hij dan komt, komt Hij echter niet alleen, maar wordt door al Zijn heiligen2 begeleid. Wat moesten de Thessalonikers zich daarbij voorstellen, dat de Heer Jezus met al Zijn heiligen komen zou? Of zij wel de plaats in Zacharia 14:5 kenden: “… dan zal de HEERE, mijn God, komen, [en] al de heiligen met U, [o] [HEERE]!”? Dat moest zeker vragen bij hen opwerpen.

Wat het daar op zich betekent, zal de apostel vanaf hoofdstuk 4:13 uitvoerig behandelen. Het is goed, wanneer wij ook nog open vragen hebben. Wie geen vragen meer heeft, die leert er niets meer bij.

Het is niet toevallig dat de apostel tevoren echter nog op enkele andere belangrijke thema’s ingaat, namelijk:

  1. de persoonlijke heiligheid met het oog op de zedelijke onreinheid (4:1-8);
  2. de broederliefde (4:9-10);de arbeid met eigen handen (4:11-12).
  3. Daarover meer bij het overdenken van hoofdstuk 4.
NOOT:
1. We komen het woord “heilig” voor de eerste maal in de bijbel tegen in Genesis 2:3: “En God heeft de zevende dag gezegend, en die geheiligd;”. Dat betekent hier dat heiliging het apart zetten van deze dag boven de andere scheppingsdagen was. Heiliging van een mens is daarom allereerst het apart zetten voor Hem. De tweede kant is dan, dat het ook een afzondering van dat betekent, wat onverdraaglijk is met het wezen van God.
2. In Engels-sprekende landen wordt voor gelovigen algemeen het woord “saints” (=heilige) gebruikt. In het Nieuwe Testament betekent het zonder onderscheid alle gelovigen. Hier in dit vers ook de heiligen uit de tijd van het Oude Testament, zoals we in hoofdstuk 4 nog zullen zien.

Werner Mücher, © Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol