11 jaar geleden

1 Thessalonika 3 (8)

Hoe trouw zijn wij? Wat dit betreft kunnen we vast nog wel iets leren van de brusters uit Thessalonika. Overigens ook van Timotheüs. Wat een trouw in zijn dienst, hoewel hij nog jong was. En hoe krachtig was het geloof en hoe prachtig was ook de onderlinge gemeenschap onder de gelovigen in Thessalonika. Hoe is dat bij ons?

1 thessalonika 3:1-10

A. Inleiding hoofdstuk 3

We willen ons nog eens in herinnering roepen, dat de apostel Paulus zich nauwelijks meer dan drie weken in Thessalonika kon ophouden, omdat hij deze plaats hals over kop bij nacht verlaten moest, omdat hij daar vervolgd werd. Hij was over Beréa verder getrokken naar Athene, waar hem een grote opdracht wachtte (Handelingen 17:5-15). Silas en Timotheüs had hij in Beréa achtergelaten. Klaarblijkelijk zijn ze beiden dan later nagereisd en hebben Paulus in Athene ontmoet. Vandaaruit heeft Paulus dan Timotheüs naar Thessalonika gezonden, opdat deze de jonge vergadering daar in het geloof bevestigen zou. Hijzelf was later van Athene uit naar Korinthe verder gereisd.

B. Indeling hoofdstuk 3

  1. Waarom Paulus Timotheüs naar Thessalonika zond (vers 1-5);
  2. De blijdschap van de apostel over dat, wat Timotheüs over de Thessalonikers berichtte (vers 6-10);
  3. Wensen van de apostel voor de Thessalonikers (vers 11-13).

C. Uitleg hoofdstuk 3

Vers 1-2: 1. “Daarom, omdat wij het niet langer uithielden, hebben wij goedgevonden alleen in Athene achter te blijven 2. en zonden wij Timotheüs, onze broeder en Gods medearbeider in het evangelie van Christus, om u te versterken en te vermanen aangaande uw geloof; …”.

Sinds de plotselinge, onvrijwillige onderbreking van Thessalonika heeft Paulus niets meer van de jonge gelovigen daar gehoord. Hij kon het eenvoudig niet langer uithouden, zonder een bericht van hen te hebben ontvangen. Hij was erop gebrand te weten, hoe het hen verging. Ze waren immers zeer jong in geloof, onervaren en aan de aanvallen van de vijand blootgesteld. Had de vijandschap die hij daar ondervonden had, zich tegen hen gekeerd? Of hebben zij zich onder de druk van buiten misschien zelfs van het geloof afgewend? Dat alles liet hem niet met rust. Het liefste zou hijzelf daarheen teruggekeerd zijn. Reeds tweemaal had hij zich dat vast voorgenomen (hoofdstuk 2:17-18). Zo heeft hij tenslotte Timotheüs van Athene uit naar Thessalonika gezonden. Paulus was een werkelijke vader (2:11).

Het is bemoedigend te zien, dat Paulus na zo’n korte tijd van samen reizen Timotheüs al voor deze dienst gebruiken kon. Hij had vertrouwen in deze jonge broeder. Timotheüs had goede diensten bewezen. Paulus noemt hem hier onze broeder en Gods medearbeider. Hij had klaarblijkelijk een gave, die hij reeds tot welzijn van de gelovigen uitoefende. Paulus wilde dat hij de gelovigen in Thessalonika in het geloof bevestigen (of: versterken) en troosten1, dus hen bijstaan en helpen zou, en wel door het evangelie2. Niets biedt een beteren bescherming tegen alle gevaren als het positieve, opbouwende leren kennen van de waarheid van God.

In het evangelie van Christus: Christus is de eigenlijke inhoud, om wie het gaat en de kern van het evangelie. In hoofdstuk 2 vers 2 had de apostel het het “evangelie van God3 genoemd: het heeft zijn oorsprong in God. Aan de andere kant noemt hij het “mijn evangelie”; daarbij denkt hij eraan, dat het hem toevertrouwd was.

Aangaande uw geloof: Het woord “geloof” is kenmerkend voor dit korte hoofdstuk: vijfmaal komt het hier voor.

  1. Paulus zond Timotheüs om de Thessalonikers te vermanen aangaande hun geloof (vers 2);
  2. hij zond hem, om van hun geloof te weten (vers 5);
  3. Timotheüs keerde terug en bracht de blijde boodschap van hun geloof (vers 6);
  4. Paulus werd getroost door hun geloof (vers 7);
  5. Paulus wilde voltooien, wat aan hun geloof ontbrak (vers 10).

Soms wordt “geloof” in het Nieuwe Testament met “trouw” vertaald. Het Griekse woord voor “geloof, trouw” betekent ook “vertrouwen”. Men gelooft iemand die men vertrouwt.

Alleen door geloof konden de Thessalonikers staande blijven: hun trouw en hun vertrouwen op God werden beproefd. Dat is op zich niets ongewoons voor een Christen. Een sterk geloof wordt door moeilijkheden sterker, een zwak geloof verder ontkracht. Mensen die weinig geloof (vertrouwen op God) hebben, verliezen bij moeilijkheden hun geloof, en bij anderen wordt het geloof door dezelfde moeilijkheden versterkt, omdat zij ervaringen met God daarin hebben. Iemand heeft het geloof eens met een spier vergeleken, die door gebruik krachtiger wordt. Wanneer het geloof zwak is, is een gelovige zwak.

Vers 3-4: 3. “opdat niemand wankelt in deze verdrukkingen. (Want zelf weet u dat wij daartoe 4. bestemd zijn; immers, toen wij bij u waren, zeiden wij u van tevoren dat wij verdrukt zouden worden, zoals het ook is gebeurd, en u weet het.)”.

Alleen een vast geloof kan voor wankelen bewaren. Paulus wist hoe gevaarlijk vervolgingen zijn konden. De Thessalonikers waren nog niet zo lang aan de heerschappij van satan ontrukt. Satan probeerde met alle macht deze mensen weer terug te brengen. Het is goed, wanneer iemand op zulke aanvallen voorbereid is. Paulus had dit de gelovigen in Thessalonika al gedurende zijn korte oponthoud voorgesteld. Daarom kwam het voor hen niet als een verrassing. Eigenlijk zijn zulke problemen normaal voor een Christen (vergelijk Handelingen 14:22). De Heer Jezus had eveneens uitdrukkelijk tegen Zijn discipelen daarvan gesproken (Johannes 15:20; 16:33). De verdrukkingen waren juist een bewijs daarvoor, dat zij op de goede weg waren.

Ondervind(t) jij/u ook tegenstand van anderen? Laat u niet ontmoedigen. Zoek de gemeenschap met de gelovigen op, sterkt u wederzijds door het Woord van God en door gemeenschappelijk gebed.

Wanneer wij mensen de weg van verlossing door de Heer Jezus mogen tonen, laten we dan niet voor hen verzwijgen, dat de weg tot het volgen van de Heer Jezus afwijzing en smaad van de zijde van de wereld betekenen kan. Het evangelie “Neem Jezus aan en je hebt geen problemen” komt niet overeen met de werkelijkheid.

Vers 5: “Daarom ook heb ik, omdat ik het niet langer uithield, hem gezonden om van uw geloof te weten, of de verzoeker u misschien ook verzocht had en onze arbeid vergeefs was geworden”.

Deze vraag brandde de apostel op de lippen. In vers 1 had hij nog gezegd: “omdat wij het niet langer uithielden”. Hij sloot zijn medearbeider – zoals zo vaak – mee in. Doch nu wordt hij zeer persoonlijk: omdat ik het niet langer uithield”. Wat dan? Hij wilde graag weten hoe het met hun geloof stond.

De verzoeker: Er is iemand op gebrand, die altijd en overal het werk van God verstoren wil. Hij vindt daartoe altijd ook willige werktuigen. Paulus weet van deze aanvallen. Hij kent ook de verschillende tactieken. De ene keer probeert hij het door vervolgingen; een andere keer door verkeerde leringen. Bij het lezen van de tweede brief zullen we zien, dat hij later bij de Thessalonikers met valse leer ingang vond. Maar Paulus vreesde, dat zijn arbeid, omdat zij slechts van korte duur was, vergeefs kon zijn geweest. We kunnen goed begrijpen, waarom hij zo op een bericht wachtte.

Vers 6: “Maar nu is Timotheüs van u tot ons gekomen en heeft ons de blijde boodschap gebracht van uw geloof en uw liefde, en dat u ons altijd in goede herinnering houdt en verlangt ons te zien, zoals ook wij u”.

Eindelijk was het zover. Nu was Timotheüs van Thessalonika teruggekeerd. Hij was naar Korinthe gekomen en had Paulus alles bericht, wat hij daar meegemaakt had. Timotheüs heeft goede berichten meegebracht. Wat een vreugde en verkwikking voor de apostel. Hoe heeft hij God daarvoor gedankt.

Geloof en liefde: In het bijzonder benadrukte Timotheüs hun geloof. Hun vertrouwen op God was ongebroken. En niet alleen dat, de liefde onder elkaar was voorhanden. En juist dat is belangrijk onder jongbekeerden. Er was een hartelijke gemeenschap onder hen. Zij hielpen elkaar. De een stond voor de ander in. De liefde sterkte het geloof van de andere. En deze liefde was niet beperkt tot de gelovigen, nee, zij hadden ook hun vijanden, die hen vervolgden, lief. En dan bestaat er geen twijfel over, dat zij ook een innige liefde tot de Vader en de Heer Jezus hadden.

In goede herinnering: de verzoeker wilde niet alleen de Thessalonikers van het pad van het geloof afbrengen, maar ook “de kinderen” van hun “vader” vervreemden. Hoe vaak is het gebeurd, dat de harten van gelovigen van de apostel door boze geruchten vervreemd werden. Hier waren de betrekkingen zuiver. Ook dat was voor de apostel een bijzonder vreugde, zo dat hij dit feit lovend vermeldt. De Thessalonikers moesten weten, wat dat voor hem betekende.

De gelovigen verlangden naar een weerzien van de apostel en zijn begeleiders. En dat was ook hun innige wens (vergelijk hoofdstuk 2:17-18).

Vers 7-8: 7. “Daarom, broeders, zijn wij in al onze nood en verdrukking 8. over u vertroost door uw geloof; want nu leven wij, als u vaststaat in [de] Heer”.

Niet alleen de Thessalonikers kenden nood en verdrukking, nee, Paulus en zijn medearbeiders eveneens (vergelijk 2 Korinthe 11). Het bericht van de vastheid van hun geloof was voor hen een grote vreugde. De apostel heeft Timotheüs tot hen gezonden, opdat zij bevestigd en vertroost (bemoedigd) zouden worden, en nu waren zij zelf door door deze goede berichten vertroost (bemoedigd).

Als de apostel zegt: “nu leven wij”, klinkt dat niet bijna zo, als waren zij gestorven? Ja, de tegenspoed en zorgen kunnen zeer groot zijn, en het waren zorgen om anderen. Zij leefden helemaal op. Hoe groot is de vreugde van een dienaar van de Heer, wanneer hij zien mag, dat zijn arbeid niet vergeefs was: ze stonden vast in de Heer.

Vers 9-10: 9. “Want welke dank kunnen wij God voor u vergelden, wegens al de blijdschap waarmee wij ons om u verblijden voor onze God? 10. terwijl wij nacht en dag zeer overvloedig bidden dat wij uw gezicht mogen zien en voltooien wat aan uw geloof ontbreekt”.

Het bericht van Timotheüs bracht overvloeiende dankbaarheid teweeg jegens God vanwege deze vreugde, en die wilden zij met God delen. Is dat niet de schitterendste vreugde, die men voor God kan uitspreiden? Tegelijk liet deze vreugde het verlangen naar deze jonge gelovigen toenemen. Van stonde af aan baden zij dag en nacht (dus op elk moment op de dag of in de nacht, wanneer zij ook maar aan hen dachten), dat God hen toch schenken zou, hen spoedig te kunnen zien. En dat niet alleen om de vreugde van het weerzien, maar ook om dat aan hun geloof te voltooien4, wat nog ontbrak. Ze wilden hen verder onderwijs geven, opdat zij in de Christelijke waarheid dieper gefundeerd zouden worden.

NOTEN:
1. Het woord voor “troosten” hier is weer parakaleo (vergelijk de uitleg bij hoofdstuk 2:3).
2. Evangelie betekent letterlijk “goede boodschap”. In de brief aan de Romeinen schrijft Paulus, dat hij de gelovigen daar eveneens het evangelie verkondigen wilde (1:15). De verkondiging van het evangelie had dus tot doel, dat zowel verlorenen tot geloof komen als ook gelovigen in de Christelijke waarheid bevestigd worden.
3. Vergelijk daartoe de uitdrukking “het evangelie van God … aangaande Zijn Zoon” (Romeinen 1:2).
4. Het Griekse woord katarizo wordt in Mattheüs 4:21 gebruikt voor het “verbeteren” van netten.

Werner Mücher, © Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol