12 jaar geleden

1 Thessalonika 1 (3)

Zijn er vandaag in onze “Christelijke” omgeving ook nog afgoden? U zegt misschien: “Natuurlijk niet! Dat hebben we immers al lang achter ons gelaten. Dat is iets voor de Middeleeuwen – of nog langer geleden … Waar hebt u het toch over? Wetenschappelijk is dit toch ook al lang weerlegd ….!” Toch gaan we verder, omdat afgoden ook vandaag nog reëel bestaan en zeer zeker niet minder een gevaar als toen vormen voor een kind van God, laat staan voor iemand die Jezus Christus nog niet kent en zich nog niet bekeerd heeft tot de enige levende en waarachtige God. Het grote gevaar van deze afgoden zijn de de demonische machten, die erachter staan en de mensen in occulte banden gevangen houden. Waarom al die ongezonde en demonische belangstelling voor occulte dingen? Komt het nu al wat dichter bij? Herkent u nu nog niet wat in onze tijd – en zeker in het zogenaamde Christelijke westen – zich afspeelt? De vijand slaapt niet maar de mens zonder God slaapt …! U ook misschien? Zegt God niet: “Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten” (Efeze 5:14)? Laten we opnieuw eens naar de Thessalonikers kijken …

1 Thessalonika 1:7-10.

Vers 7: “… zodat u een voorbeeld bent geworden voor alle gelovigen in Macedonië en Achaje”.

Macedonië en Achaje: Ten tijde van het Nieuwe Testament was Griekenland door Rome in de beide provincies Macedonië (noordelijk deel) en Achaje opgedeeld. Korinthe lag in Achaje; Thessalonika, Beréa en Filippi lagen in Macedonië.

Een voorbeeld voor alle gelovigen: De Thessalonikers waren voorbeelden in de manier waarop zij het woord aangenomen hadden, namelijk onder veel verdrukking met blijdschap van de Heilige Geest. Wie trouwe dienaars van de Heer en de Heer Zelf navolgen, wordt zelf tot een voorbeeld voor anderen. De goede faam van deze gelovigen verbreidde zich overal in Griekenland. Zo was er een ketting van voorbeelden en navolgers: De Heer – Paulus – de Thessalonikers – verder nog meer gelovigen.

Waar ben ik voor anderen tot een VOORBEELD?

Vers 8: “Want van u uit heeft het woord van de Heer weerklonken, niet alleen in Macedonië en in Achaje, maar in elke plaats is uw geloof jegens God uitgegaan, zodat wij daarvan niets hoeven te zeggen; …”.

Nu ervaren wij bovendien, dat deze jonge Christenen ijverig getuigen voor het evangelie waren. Hun leven gaf – net als een trompet – een duidelijke toon. De kring van getuigen breidde zich nu over geheel Griekenland uit: op elke plaats – wijd en zijd. Thessalonika lag aan een beroemde handelsroute, die van het westen naar het oosten liep. Daar was een magazijn voor goederen. Sommige handelskaravanen hielden hier pauze. Waarover sprak men?

Zeker hebben daar mensen van het geloof van de Thessalonikers vernomen en verder daarvan bericht. Dat was een machtig getuigenis. Men merkt tussen de regels door de grote vreugde van de apostel, dat op deze wijze het evangelie verder verbreid werd.

Vers 9: “… want zelf vertellen zij van ons welke ingang wij bij u hadden, en hoe u zich van de afgoden tot God hebt bekeerd om [de] levende en waarachtige God te dienen”.

Een radicalere omkeer kan men zich nauwelijks voorstellen. Deze gelovigen hebben zich van de dode afgoden afgewend. Het gevaarlijke van deze afgoden waren de de demonische machten, die daarachter stonden en de mensen in occulte banden gevangen hield. Nu hadden zij de enige levende en waarachtige God mogen leren kennen. En zij kenden Hem niet alleen, maar zij dienden Hem met heel hun leven (met al hun tijd, hun gaven, hun vermogen, enzovoorts).

Van God wordt hier gezegd, dat Hij levend en waarachtig is. De afgodenbeelden waren dood, en achter hen verborgen zich leugenachtige demonen. Zij dienen de duivel, die een leugenaar en de vader van de leugen is (Johannes 8:44).

Zijn er in uw leven nog banden, die u hinderen uw hele leven aan God te wijden? Misschien was uw bekering niet zo grondig als die van de Thessalonikers. Wat hindert u dan, om nu grondig op te ruimen, ook wanneer u zich al langere tijd geleden bekeerd hebt? Dit vers hier maakt ons zeer duidelijk, wat bekering is: KOMPLEET AFWENDEN van een eigen leven van de zonde en VOLLEDIGE TOEKERING naar God.

Zijn er vandaag in onze “Christelijke” omgeving ook nog afgoden? Hierover las ik het volgende: “Afgoden zijn niet alleen de afschuwelijke beelden, die door heidenen vereerd en gevreesd worden, maar alles, hetzij afschuwelijk of netjes, wat in het hart van een mens de plaats van hoogheid en heerschappij innneemt, die alleen God toekomt” (F.B. Hole in “Grondbeginselen van het Nieuwe Testament, Band 4, 1e brief aan de Thessalonikers).

God te dienen: Deze uitdrukking geeft ons het recht om te zeggen, dat alle gelovigen hun gehele arbeid als dienst voor God en de Heer Jezus doen mogen. Daarbij is geen terrein van het leven uitgesloten: Daaronder tellen we de beroepsarbeid, de veelvoudige taken in de familie, de totale vrije tijd en de verschillende diensten voor de Heer, of het nu in de plaatselijke gemeente, op het terrein van het evangelie of waar dan ook is. Aan de andere kant schrijft de apostel: “Wat u ook doet, doet het van harte, als voor de Heer” (Kolosse 3:23).

Wat een hoge roeping voor iemand die zich bekeerd heeft: Hij mag voortaan God dienen, Zijn interesses, doelen en plannen.

Daarbij willen we er niet aan voorbijgaan, dat ook tijden van rust en ontspanning nodig zijn. God heeft ons een vrije dag per week geschonken, waar wij Hem loven en geestelijk voedsel ontvangen mogen. In het oude testament had Hij de mensen verschillende feesten van vreugde en gemeenschap gegeven. Soms duurden ze zelfs een week lang (Leviticus 23). God Zelf heeft na Zijn zes scheppingsdagen gerust en Zich in Zijn werken verheugd (Genesis 2:2-3).

Is de Heer Jezus het Middelpunt van onze feesten en tijden van ontspanning?

Vers 10: “… en zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, die Hij uit doden heeft opgewekt, Jezus, die ons redt van de komende toorn”.

Naast de dienst voor God komt hier als tweede punt de verwachting van de Zoon van God naar voren. Wie zich bekeert, keert niet alleen terug van een weg van God af, maar stelt zijn leven in dienst van God en verwacht voortdurend, dat zijn HEER en HEILAND Jezus Christus terugkomt.

Hier schijnt voor de tweede maal helder de Christelijk hoop: JEZUS, de Zoon van God komt terug, en wel uit de hemelen. De ogen van een gelovige zijn om zo te zeggen bestendig op de hemel gericht en verwacht met spanning de gebeurtenis van Zijn wederkomst.

De vreugdevolle verwachting van de Zoon van God is een voortdurende bron van kracht en de motivatie tot een toewijdingsvolle dienst voor God. Deze verwachting drukt een hemels stempel op het leven van een Christen.

Toewijding in de dienst voor God is niet onvoorwaardelijk het gevolg van een lange ervaring of bijzondere genadegaven, maar blijkt veelmeer dan, wanneer wij innerlijk daarvan doordrongen zijn, dat wij met een opgestane en verheerlijkte Christus verbonden zijn, die spoedig komt.

Uit de doden opgewekt: God heeft een onbeschrijfelijke vreugde in Zijn Zoon. Dit heeft Hij meermalen vanuit de hemel uitgedrukt (Mathheüs 3:17; 17:5). Het grootste welgevallen had God, toen de Heer Jezus gewillig Zijn leven op het kruis gaf. Als antwoord op de toegewijde dienst van Jezus heeft God Hem na drie dagen opgewekt. Al meer dan 2000 jaren vertoeft Hij aan de rechterhand van God in de heerlijkheid en wacht erop, de Zijnen thuis te halen. Zo zeker als het feit van Zijn opstanding is, zo zeker is het, dat Hij spoedig komt.

Die ons redt: Hoewel gelovigen bij hun bekering vergeving van hun zonden ontvangen en daardoor van het eeuwig oordeel gered zijn, leven zij echter in een zondige wereld vol gevaren en hebben nog (naast het nieuwe leven) de zonde in zich. Zij hebben veelvoudige reddingen uit – en ook in – gevaren in deze wereld nodig.

Op deze plaats gaat het om een redding, die nog toekomstig is. Redding waarvan?

Van de komende toorn: Deze toorn zal zich in de toekomst ontladen. Tot die tijd oefent God nog genade en lankmoedigheid uit. Maar de tijd van de genade zal met de komst van de Zoon van God een einde vinden. Dan begint de tijd van de zwaarste oordelen, die de ongelovigen zullen treffen. De toorn van God zal zich van de hemel openbaren (Romeinen 1:18). De tijd van de toorn wordt in Openbaring 6-19 beschreven. Daar wordt ze de grote dag van de toorn van het Lam genoemd (Openbaring 6:16-17). Op een andere plaats heet het “grote verdrukking” (Mattheüs 24:21) of het “uur van de verzoeking, dat over het hele aardrijk zal komen” (Openbaring 3:10).

Voor deze uitoefening van de toorn van God zal de Heer Jezus als Redder (Heiland) voor de Zijnen verschijnen (Filippi 3:20), om hen tot Zich te nemen.

De tijd van de “komende toorn” hopen we in de loop van de overdenking van deze brief nog uitvoeriger behandelen, op zijn laatst in hoofdstuk 5, waar we van de DAG VAN DE HEER lezen, die nauw met dit thema verbonden is.


 

Vragen en aansporingen tot verwerking:

1. Uw handelen (zowel in positief als in negatief opzicht) is voor uw omgeving een voorbeeld. Bent u zich daarvan bewust?

2. Misschien bent u in een Christelijk huisgezin opgegroeid. Welke betekenis heeft voor u het begrip “bekering”? Eigenlijk moest u zich immers niet “van de afgoden tot God” bekeren, of toch? Wilt u daarover uw gedachten eens schrijven?

(Wordt zo de Heer wil vervolgd).

Werner Mücher, © Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol