2 weken geleden

Het Johannes-evangelie (02)

Heerlijkheden van de eeuwige Zoon (Joh. 1:1–5)

“In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God” (Joh. 1:1)

Johann Wolfgang von Goethe laat zijn dr. Faust over deze tekst zeggen, dat dit verkeerd is, er moet staan: “In het begin was de daad.” Maar God zegt: “In het begin was het Woord.” Het Woord betekent openbaring, de uitdrukking van de gedachten van God. Wanneer God iets doet – en Hij heeft iets gedaan -, dan is dat groot en machtig; maar wanneer Hij Zichzelf openbaart, dan is dat kostbaar! Dus hier hebben we de Heer Jezus als het Woord, als de uitdrukking van de gedachten van God. Het eeuwige Woord werd gezien in een Mens op deze aarde.

Het begin van het Evangelie van Johannes is het vroegste begin in de Bijbel. Dit vers spreekt over de eeuwigheid van het Woord. De schepping in Genesis 1 vers 1 begint ook met de uitdrukking in het begin. Maar toen schiep God iets. Veel eerder, ver vóór Genesis 1 vers 1, was het Woord al daar. Het is niet geworden, het is er altijd geweest. Het Woord is zonder begin. Voor zover we terug kunnen kijken in de achter ons liggende eeuwigheid, was het Woord al daar, het heeft eeuwig bestaan! Zo begint dit vierde evangelie en het presenteert de Heer als het Woord in Zijn eeuwig bestaan.

We lezen in de Bijbel over vier beginpunten:

  • Johannes 1 vers 1: gaat het verste terug; in de eeuwigheid vóór de tijd bestond de Heer Jezus al als het eeuwige Woord bij God;
  • Genesis 1 vers 1: het begin van Gods schepping, het begin van de tijd;
  • 1 Johannes 1 vers 1: de menswording van de Heer Jezus, hetzelfde tijdstip als Johannes 1 vers 14;
  • Markus 1 vers 1: het begin van het openbare optreden van de Heer Jezus.

Er wordt ook niet gezegd dat het Woord werd, maar het was er in het begin. Begin staat hier ook zonder lidwoord, dus het gaat niet om een specifieke aanvangstijd; welk begin je ook zou nemen, daar was Hij al, in Zijn bestaan is geen begin – een begin zonder aanvang. De eerste heerlijkheid van de Heer Jezus die ons in dit vers wordt voorgesteld, is dus dat het Woord een eeuwig bestaan heeft!

Dan wordt voorgesteld, dat dit Woord bij God was. Voor God staat hier het lidwoord, men moet daarom lezen: “Het Woord was bij de God”. Dit verduidelijkt een onderscheid tussen het Woord en God, en drukt een relatie uit binnen de Godheid. Het waren niet alleen de gedachten van God, maar het Woord is een eigen onderscheiden Persoon binnen de Godheid, Die van alle eeuwigheid af bij God was. En in deze Persoonlijkheid onderscheidt Hij zich in de Godheid. Hij is eeuwig en Hij is een Persoon Die binnen de Godheid onderscheiden wordt, Die van aangezicht tot aangezicht staat met de andere Personen van de Godheid.

En dit Woord was God; dit benadrukt, dat deze Persoon, Die “het Woord” wordt genoemd, wat de aard betreft God Zelf is, op hetzelfde niveau als God staat. Hier ontbreekt het lidwoord, want het Woord is niet alleen God, maar ook de Vader en de Heilige Geest zijn eveneens God. Dit wordt er ook aan toegevoegd, zodat we niet het idee krijgen dat, omdat Hij bij God was, Hij Zelf niet God zou zijn geweest. We kunnen de eeuwige Godheid van de Heer Jezus niet genoeg benadrukken, omdat dat juist iets is, dat vandaag de dag in veel delen van het Christendom niet meer bekend is of zelfs geloochend wordt. “Christus Jezus … Die het geen roof geacht heeft God gelijk te zijn” (Fil. 2:6); “… in Hem woont de hele volheid van de Godheid lichamelijk” (Kol. 2:9); “Deze is de waarachtige God en [het] eeuwige leven” (1 Joh. 5:20).

We leren dat binnen de Godheid Personen onderscheiden worden – Vader, Zoon en Heilige Geest -, maar ze zijn niet onafhankelijk van elkaar. Wanneer we spreken over de drie Personen van de Godheid, mogen we geen onderscheid maken wat de waardigheid van deze Personen betreft. Je hoort soms van de eerste Persoon van de Godheid, de tweede Persoon en de derde Persoon van de Godheid. Maar binnen de Personen van de Godheid zijn geen gradaties.

Vraag: Wanneer de Heer Jezus van eeuwigheid af het Woord is, de uitdrukking en de openbaring van de gedachten van God, aan wie heeft Hij de gedachte van God in de eeuwigheid uitgedrukt? Was Hij het beeld van de onzichtbare God van eeuwigheid af (Kol. 1:15)?

Antwoord: We moeten bij dergelijke overwegingen niet uitgaan van onze menselijke logische en theoretische gevolgtrekkingen. Onze gedachten zijn altijd aan tijd en ruimte gebonden, en wanneer we van “beeld” horen, dan bedoelen we automatisch dat dit ook op een of andere manier moet worden gezien. Maar Johannes beschrijft hier op een zeer abstracte manier eenvoudigweg feiten. We houden vast, dat Hij altijd het Woord van eeuwigheid af was, altijd het beeld van God was, maar dat het pas in de tijd openbaar werd en tot uiting kwam in Zijn mensheid. Het is hetzelfde met het leven (Joh. 1:4); in Hem was altijd leven, maar pas in Zijn mensheid werd dit leven geopenbaard (1 Joh. 1:2). Ook het beeld van de onzichtbare God heeft betrekking op Zijn mensheid hier op aarde. Hij werd op een bepaalde tijd in dat betreffende karakter zichtbaar.

“Dit was in [het] begin bij God” (Joh. 1:2).

Deze korte zin is niet slechts een herhaling van het voorafgaande; hij benadrukt veeleer, dat deze betrekking binnen de Godheid eeuwig is. Het Woord was als Persoon in het begin bij God. Deze betrekking begon niet pas vóór de menswording van de Heer Jezus, de betrekking van het Woord in de Godheid heeft altijd bestaan, het is eeuwig. Het Woord bezit een eeuwige Persoonlijkheid, het is niet slechts een uitgesproken gedachte van God.

De Heilige Geest laat in deze verzen drie betrekkingen zien waarin het Woord staat. In de verzen 1 en 2 vinden we de betrekking van het Woord tot God, in vers 3 vinden we de betrekking van het Woord tot de schepping, en in de verzen 4 en 5 vinden we de betrekking tussen het Woord tot de mens.

“Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is” (Joh. 1:3).

Dit vers is het begin van Genesis 1 vers 1, het begin van de schepping. Ook wordt de Heer Jezus als Schepper vandaag meer dan ooit geloochend. En wanneer de Heer Jezus de Schepper is, benadrukt het nogmaals dat Hij de Eeuwige is, dat Hij voorheen al bestond. De zogenaamde evolutieleer is een tactiek van satan, waardoor de schepping als onnietig verklaard wordt. En als we nu naar deze verzen kijken, laten we ons opnieuw waarschuwen, voordat we deze grote waarheid opgeven, dat onze Heer de Schepper van hemel en aarde is. De Heer Jezus heeft ook de tijd geschapen. In Hebreeën 11 vers 3 lezen we dat de werelden zijn bereid door het Woord van God; er staat voor werelden de uitdrukking aion of eeuw [1]. De schepping onderbreekt de eeuwigheid, het is een paranthese [2] in de eeuwigheid.

Of we nu denken aan de microkosmos of de macrokosmos, of we nu naar de oneindige sterrenwereld kijken: van alles wat zichtbaar en onzichtbaar is – behalve van God Zelf en van het kwaad – is Hij de Auteur! Kolosse 1 vers 15-17 laat zien dat de Heer Jezus de Schepper en ook de Onderhouder van alle dingen is. Terwijl de kosmos zich een weg door de millennia baant, heeft de Heer Jezus altijd Zijn hand erin; ook toen Hij op aarde was als Mens, ook toen Hij aan het kruis hing, heeft Hij de wereld onderhouden. Alles is voor Hem en bestaat samen door Hem; de Schepping, om zo te zeggen, ervaart Zijn motivatie door Hem, het is een verheerlijking van de Zoon. In Hebreeën 1 vers 2 en 10 vinden we de Heer Jezus als een meesterlijk Vakman. God heeft de werelden door de Heer Jezus gemaakt, de aarde gegrond; de hemelen zijn werken van Zijn handen. De schepping zelf geeft uitdrukking aan dat, wat God is (Rom. 1:19,20).

En dat zal altijd zo blijven; De Heer Jezus zal nooit Zijn rechten op deze schepping opgeven! We willen deze uitspraken van het Woord van God onwankelbaar vasthouden, zelfs als we ze niet kunnen begrijpen met ons verstand. En ook al wordt de Heer Jezus niet in dit verheven karakter in de andere drie evangeliën voorgesteld, laten we niet uit het oog verliezen dat de Persoon die we voor ons hebben dezelfde Persoon is zoals in Mattheüs, Markus en Lukas voorgesteld wordt! We moeten misschien in de andere evangeliën geen gedachten ten koste van Hem toelaten, omdat daar het onderwerp niet zo verheven is als hier – het is dezelfde Persoon Die ons hier en daar helemaal gelukkig maakt!

In het tweede zinsdeel wordt als versterking van de gedachte de omkeer aan het eerste zinsdeel toegevoegd. In alle opzichten en alomvattend is het eeuwige Woord de Schepper van alles; alles wat bij de eerste schepping behoort, is door de Heer geschapen! Schepping is een werk van God als ‘geheel’, maar zonder het Woord is er niets geschapen (1 Kor. 8:6).

We zien in deze eerste verzen dat God over ons waakt om onszelf niet te verliezen in speculatie en logische redeneringen betreffende de Persoon van Zijn Zoon. Alles wat we over de Heer Jezus moeten weten, wordt niet ervaren door onze combinaties, maar omdat God het ons vertelt. Hij waakt over het feit dat Zijn Zoon op geen enkele manier wordt onteerd door valse speculaties.

In deze eerste drie verzen hebben we vijf heerlijkheden van het Woord, de Eeuwige Zoon, voor ons:

  1. “In het begin was het Woord” – het eeuwige bestaan van het Woord;
  2. “Het Woord was bij God” – de onderscheiden Persoon van het Woord binnen de Godheid;
  3. “Het Woord was God” – het Woord is wezenlijk God Zelf;
  4. “Dit was in [het] begin bij God” – de eeuwige Persoonlijkheid van het Woord bij God;
  5. “Alle dingen zijn door Hem geworden” – de Scheppersheerlijkheid  van het Woord.

“In Hem was leven, en het leven was het licht van de mensen” (Joh. 1:4).

In dit vers hebben we dan nog meer heerlijkheid van dit Woord: “In Hem was leven”. Hier zien we niet alleen wat door Hem geschapen werd, maar gaan we een stap verder en laat het zien, wat in Hem is. En dit gaat ook niet alleen over het natuurlijke leven, maar over het eeuwige leven; “en dit leven is in Zijn Zoon” (1 Joh. 5:11). En om dit leven aan mensen te kunnen openbaren, moest Hij Mens worden. Tot die tijd kon dat van niemand in deze zin gezegd worden. Maar Hij heeft als Mens dit eeuwige leven zichtbaar gemaakt. In het Oude Testament leefde God in het verborgene in het duister. Maar nu was er Iemand die Mens geworden is, en in Hem was leven. En Hij wilde dit leven ook delen, het geven aan hen die in Hem zouden geloven – en daarvoor moest Hij het werk aan het kruis volbrengen.

“..en het leven was het licht van de mensen”; door Hem werd alles openbaar, zoals het in de ogen van God is. Het leven is alleen voor hen die in Hem geloven, maar het licht treft ieder mens, iedereen wordt door Hem in het licht van God geplaatst. We verbazen ons er ook over, dat dit licht niet voor de engelen was, maar voor ons mensen. God schenkt ons mensen deze openbaring van Zichzelf in de Zoon. Het is ook mogelijk om deze tweede helft van de zin om te keren, het is een wederkerige zin die ook in de omgekeerde volgorde correct is: het licht van de Mens was het leven, dat wil zeggen dat niemand anders het Licht van de mensen was dan Degene die het Leven is.

Als gelovigen hebben wij ook leven, dat betekent niet het natuurlijke leven in deze schepping, maar geestelijk, Goddelijk leven! Maar we hebben het niet in onszelf – we hebben het in Hem! De Heer Jezus is dit Goddelijke leven wezens-eigen, onafhankelijk van de mens; Hij is het eeuwige leven (1 Joh. 5:20).

En dit leven is zichtbaar geworden, geopenbaard (1 Joh. 1:2), heeft uitdrukking gegeven aan het leven – niet als leven, maar als licht. Dit is een enorme gebeurtenis! Als hier zou staan, dat het leven het leven van mensen was, zou dat betekenen dat alle mensen Goddelijk leven zouden hebben. Nee, het leven was het licht van de mensen. Wanneer de Heer Jezus dit leven openbaart, dan betekent dat licht voor de mensen. Wat de Heer zei, wat Hij deed, werkte op de mensen als licht. De openbaring van God in de Heer Jezus is licht voor de mensen, en het licht maakt alles openbaar! Dit betekent niet, dat alle mensen gered zouden worden, maar ze worden door deze openbaring van God in de Heer Jezus verlicht. En wie zich onderwerpt aan dit licht en aan het Woord, dat hier spreekt, ontvangt dan ook dit Goddelijke leven.

“En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen” [3] (Joh. 1:5).

Het wezen van licht is, dat het in de duisternis schijnt en de werkelijkheid van alle dingen en verhoudingen tevoorschijn brengt; en zo was het toen de Heer Jezus hier op aarde was als Mens. Hij heeft de werkelijkheid van alle dingen zichtbaar gemaakt, wat de mens werkelijk is en wat God werkelijk is en hoe gebroken de betrekking van de mens tot God is. Toen mensen het licht zagen, was het omdat de Heer Jezus hier was als Mens. Ze konden zich niet aan de directe werking van het licht onttrekken.

De morele staat van de mens is van nature duisternis (Ef. 5:8). En nu wordt een resultaat beschreven, wat volledig in strijd is met onze aardse ervaringen en omstandigheden: de duisternis neemt het licht niet op. Wanneer in natuurlijke duisternis een klein licht wordt aangestoken, dan is er licht in het gebied waar dat licht schijnt, ongeacht hoe diep de duisternis ook is. Dit is niet het geval in Goddelijke dingen. De duisternis is zo diep, dat het licht van de openbaring van God schijnt, maar de duisternis grijpt het licht niet. Vuurvliegjes hebben fosforen onder hun vleugels, en waar deze vuurvliegjes schijnen in het donkere bos is er geen duisternis. De fysieke duisternis betekent afwezigheid van licht; maar de zedelijk morele duisternis is de aanwezigheid van het kwaad, en deze duisternis is zo diep, dat het licht niet opgenomen wordt.

God laat Zijn licht schijnen en het wordt niet aangenomen, omdat mensen de duisternis meer liefgehad hebben dan het licht (Joh. 3:19)! Dit toont met bijzondere nadruk de verantwoordelijkheid van de mens, terwijl ons vers 5 de onmogelijkheid beschrijft, dat het licht door de duisternis wordt gegrepen. Licht en duisternis zijn onverenigbaar (2 Kor. 6:14). Heel ontroerend is de gedachte dat de Heer Jezus, hoewel Hij als het Licht niet werd aangenomen en moest lijden en sterven, dat “Hij als eerste uit [de] opstanding van [de] doden een licht zou verkondigen zowel aan het volk als aan de volken” (Hand. 26:23). Dit licht heeft in onze harten geschenen tot de lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God (2 Kor. 4:6). In deze zin gaat de duisternis voorbij met elke bekering van een mens (1 Joh. 2:8).

NOTEN:
1. In Hebreeën 11 vers 3 en Hebreeën 1:2 is het woord voor ‘wereld’ gebruikt (aion) dat elders vertaald is met ‘eeuw’ (d.i. ‘het bestel van de wereld in een bepaalde tijd’; het woord is vertaald met ‘tijdgeest’ in Ef. 2:2).
2. Parenthese: Een inlassing, tussenzin.
3. Of ‘gegrepen’.

[Samenvatting van Bijbelkonferentie]
Online in het Duits sinds 13.03.2017.

Achim Zöfelt, © www.bibelstudium.de

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol